19 maart 2026

Dag 5 : Matmata - te voet van Tamezret naar Zeraoua - Douz - woestijn

Het was nog steeds wat buierig toen we Matmata de ochtend van 11 maart '26 verlieten. We stopten al na tien kilometer, vlak buiten het berberdorp Tamezret. Volgens onze routebeschrijving zouden we in dit dorpje een heemkundigmuseum bezoeken en dan doorrijden naar Douz. Dit deden we echter niet, maar we gingen wandelen naar het volgende dorp Zeraoua / Zraoua. We vonden dit een veel beter plan: we waren immers op wandelreis en waarschijnlijk zouden we in het museum niet heel veel meer leren dan dat we ondertussen al op verschillende plaatsen gezien hebben.

Onze chauffeur stopte, gaf ons onze tussendoortjes (die we steevast bij de fooi van de kamermeisjes achterlieten vanwege véél te veel eten op een dag) en reed verder. We hadden deze wandeling geen begeleider bij ons, maar we moesten gewoon de (slechte) weg door de heuvels volgen tot het volgende dorp. We deden onze regenjasjes nog aan, maar kregen geen regen meer. Maar met de frisse windvlagen was dit ineens ook een 'warme' oplossing.

De weg die we wandelden, kronkelde zich door de heuvels van het Dahargebergte. Dit maakte het nog interessant en mooi. Achter iedere heuveltop dook steeds weer een nieuw panorama op aan volgende heuvels en dalen. De begroeiing bleef identiek als dat we de dagen voordien al zagen.

Op een gegeven moment zagen we de jeep warin we reisden staan op een van de verdere heuvels... maar die reed dan weer verder. En hetzelfde gebeurde toen we het dorp in zicht kregen... we werden dus toch nog in het oog gehouden ;-)

We kregen eerst maar een gedeelte van Zeraoua in zicht. Een bocht verder verbaasden we ons over hoe groot het dorp was! En ook verbaasden we er opnieuw over hoe goed het dorp gecamofleerd lag tegen de berg. Qua bouwstijl was het berberdorp weer anders dan de andere dorpen, eerder dan Toujiane waar we de dag voordien doorreden. De woningen waren groter en léken niet zo zeer in de berg gebouwd te zijn.

Na 7 km en z'n twee uur na vertrek kwamen we bij onze jeep aan, die ondertussen weer wat verder het dorp ingereden was. We stapten nog niet in want de chauffeur zou ons op het einde van het dorp treffen, zei hij. Pas nadat hij verteld had dat er nog maar één familie met hun kudde schapen en geiten in het vervallen dorp woonde, reed hij verder. We zagen in de vervallen huizen ook verschillende geiten, zo van die grote met lange oren en lange haren, staan en in andere huizen, waar wel nog een dak op zat, zagen we de hooivoorraad liggen. Ook zagen we in een ander deel van het grote dorp een herder met een kudde geiten en schapen aan de waterput.

We kwamen al snel weer de jeep tegen. De chauffeur was stenen van de weg aan het gooien en aan het verleggen... Er was een woning ingestort en die was op de weg door het dorp terecht gekomen. Johan ging helpen. Na een tijdje vroeg Johan of een andere weg nemen geen mogelijkheid was. De chauffeur legde uit dat dit kon, maar dat over die wegen rijden veel langer zou duren omdat die slecht waren. Als hij over het ingestorte huis geraakte, zouden we een veel betere en snellere route naar Douz hebben... wat nog, via die route nog 100 km rijden was...

Met het 'herleggen' van de keien en de instructies van Johan slaagde chauffeur er in om over het ingestorte huis te rijden... Dit was al de tweede vakantie op rij dat Johan zulke wegenwerken en hulp moest bieden: In Zuid-Cyprus had hij dit ook voor Ine moeten doen toen we een kerk in de middle of nowhere gingen bezoeken (blogbericht).

Enfin, we verkenden Zeraoua verder. Het was echt een groot dorp! Spijtig dat iedereen er weggetrokken is... maar begrijpelijk ook natuurlijk... maar zo verdwijnt, net als in al de andere dorpen in het Dahargebergte, toch ook veel van de cultuur van de Berbers.

Nadat we terug plaatsnamen in de auto, die enkel een klein deukje opgelopen had volgens de chauffeur, verlieten we stilletjesaan de bergen en lieten we de Berbers achter ons. In eerste instantie reden we nog over een barslechte, kronkelige weg, maar nadien kwamen we op een grote, geasfalteerde weg terecht. De chauffeur reed er goed op door en trok zich niks aan van de verkeersborden met 70 op...

We reden de meest zuidelijke provincie van Tunesië uit en reden naar het noordwesten. Gaandeweg veranderde het landschap : het werd steeds vlakker en zanderiger... en zo kwamen we aan in Douz. Deze stad in een grote oase wordt "de toegangspoort tot de Sahara" genoemd... en in feite is dat ook echt zo want in de wijde omgeving zijn er geen grote steden meer tot aan de grens met Libië en Algerije.

We reden volledig door het centrum van Douz. Net als in alle plaatsen waar we doorreden, lag het er een beetje troosteloos bij aangezien alle horeca-zaken gesloten zijn vanwege Ramadan. We stopten, vlka buiten het centrum, aan het Sahara Museum. In het museum werden we rondgeleid door een gids. Hij gaf ons uitleg over de cultuur van de Tunesische Bedoeïenen en het leven in de Tunesische woestijn. We kregen uitleg over de verschillende Bedoeïenenstammen, de dromedarissen, geneeskrachtige kruiden uit de woestijn, traditionele klederdracht, de bedeïenetenten enz. Interessant!

Om half 12 had de chauffeur ons al gevraagd of we honger hadden, maar toen hadden we gezegd van niet. Na het museumbezoek hadden we eigenlijk ook geen honger, maar we moesten nog eten, vond de chauffeur. Dat deden we op het vertrekpunt van onze tocht naar de woestijn. Onderweg er heen waren we onze kok en dromedarisdrijver met twee dromedarissen al tegengekomen. Zij waren ook al onderweg naar de vertrekplaats. De kok bleek de broer van onze chauffeur te zijn...

Tegen dat we opnieuw overvol eten zaten, kwamen onze wandelgidsen van de komende drie dagen en twee nachten er ook aan. De drommedarissen hadden allebei al veel op hun rug geladen. Onze rugzakken gingen er nog bij op. We namen afscheid van onze chauffeur, die nu anderhalve dag vrijaf had, en gingen op pad in onze mini-karavaan steeds verder de woestijn in.

Het was een flink tempo dat onze dromedarissen en begeleiders aanhielden! We konden maar net volgen in de soms 'diepe' zandduinen. Bij een eerste rustpauze, Ine zal een rood hoofd gehad hebben, vroegen de begeleiders of ze geen sjaal had. En ja, die had Ine, voor het geval ze moskeeën binnen zou gaan. Omdat Ine totaal niet wist hoe ze de sjaal over haar hoofd en mond moest doen, kreeg ze hulp. De sjaal was veel te kort, maar de heren slaagden er toch in om een Bedoeïene van Ine te maken. Dat was best warm, maar de zand werd zo wel minder in haar mond geblazen... en uit beleefdheid hield Ine de doek nog op haar hoofd. Drinken deden we steeds stiekem zodat onze begeleiders het niet zouden zien... zij mochten immers niet drinken... en met die waaiende zand en het knarsentanden daardoor moet dat heel vervelend geweest zijn!

Bij een tweede rustpauze bleek dat de heren onder de indruk van ons tempo waren! We hadden dus beter een beetje minder ons best gedaan om te volgen! Hahahaha... Ze gaven aan dat ze, na deze stop, nog maar een klein beetje zouden wandelen en dan op zoek zouden gaan naar een slaapplek.

Na in totaal twee uur en 8 km wandelen in de winderige woestijn was er een plek gevonden voor de nacht. De dromedarissen werden bevrijd van hun balast. De dromedaris die als tweede gelopen had, werd bevrijd van zijn muilkorf. Er werd uitgelegd dat deze nog vrij jong was en de andere zou bijten als hij de muilkorf niet droeg. Op zich leek hij er geen last van te hebben. Hij kon natuurlijk onderweg, zoals de eerste wel steeds deed, niet grazen. Vooraleer de dromedarissen losgelaten werden, kregen ze een touw rond hun twee voorste poten gebonden. Op deze manier konden ze nog wel langzaam rondstappen, maar konden ze niet weglopen. Tot vlak voor het avondeten konden de dieren zo grazen en hun eigen plan trekken, dan werden ze gehaald en gingen ze rusten.

Ondertussen zetten we ons iglotentje op en terwijl de heren aan de voorbereidingen van het avondeten startten, eerst door droge takken te gaan sprokkelen, richtte Ine de tent in. We hadden ieders een dikke mat gekregen en vier dikke, zware dekens. Die hadden ook op de dromedarissen gelegen en zaten dus onder het zand doordat het zo waaide... meteen lag er dus overal zand. Zelf hadden we, gelukkig, dunne thermische slaapzakjes bij. Dat maakte dat we toch niet rechtstreeks tussen die dekens met zand lagen.

Toen Ine zich bij de anderen voegde, stond al een soepje te pruttelen op een vuurtje en gingen de groenten en het lamsvlees er in een stoompot bovenop. Terwijl Johan gevraagd werd het vuur gaande te houden, werd nog meer hout gesprokkeld en werden de dromedarissen teruggehaald. De touw rond hun voorpoten werd strakker aangespannen, ze gingen zitten en bleven zitten... na eventjes ;-)

Om 18:31 uur was de zon onder en was het iftar. Onze begeleiders waren zo gelukkig als kleine kinderen dat ze konden eten! Ze startten met (een oneven aantal) dadels en karnemelk met water. Ook wij deden mee. Daarna gingen ze verder met koken, wat vanwege de primitieve omstandigheden en het slechts éne vuurtje in episodes ging... alhoewel... terwijl de kok bezig was met het verder bereiden van het hoofdgerecht en nadien het voorgerecht, maakte de dromedarisbegeleider / kokhulpje het deeg voor het brood klaar. We hadden tijdens onze reis al gehoord over het "pain de sable", het zandbrood, maar zagen het nu echt: het deeg werd op een handdoek over een hoopje zand gelegd om het rond van vorm te maken maar door er ook een bolle/holle kant aan te maken. Er werden houtskooltjes van onder het kookvuur plat verspreid over het zand en daar werd het deeg opgelegd. Het deeg werd vervolgens ook bedekt met deze houtskooltjes. De warmte van het zand en de kooltjes maakte vervolgens dat het brood bakte. Door op het brood te tikken, hoorden ze of het al goed genoeg gebakken was om het brood om te draaien. Ook na het draaien gingen er weer warme houtskooltjes op het brood. Toen het brood overal "goed klonk" als er op getikt werd, werden de kooltjes en het zand er afgeklopt en was het brood klaar!


Ondertussen was de kok bezig geweest met de voorbereidingen voor het maken van ieders een "brik". Hiervoor had hij olie in een koekenpan gedaan en op het vuur gezet en een papje gemaakt van eieren, peterselie, een blikje tonijn, harissa en een gekookte aardappel. Een blad filodeeg plooide hij half en vervolgens in drie om middenin het 'papje' te doen. Dit legde hij in de hete olie en hij duwde de kantjes van het pakketje in de pan aan... heel eenvoudig en héél lekker... maar veel werk!
Nadat we onze brik en brood ophadden, was het tijd voor de soep en de hoofdmaaltijd, de gestoomde groenten, aardappelen en het lams... bwôôhhh, lekker maar veel!

Al snel na het eten, gingen we in onze tent lezen en slapen... wat een dag!

Ondertussen...

18 maart 2026

Afgelopen 10 maart

Op onze vierde vakantiedag in het zuiden van Tunesië werden we wakker in het berberdorp Ksar Hallouf. Sinds de avond voordien waren er veel felle buien gevallen. Het druppelde nog steeds terwijl we ontbeten. De mensen van het hotel hadden dat, vanwege Ramadan, al vóór dageraad (of voor de allereerste straaltjes zon) al gedaan... dat was al voor 5u. Zonsopgang was rond 6:15 uur.

We spraken af dat we om half 8 klaar zouden staan om op onze dagelijkse wandeling te vertrekken. Een medewerker van het hotel zou ons meenemen doorheen de bergen rondom Ksar Hallouf. 
Om half 8 was het net weer gaan regenen... onze wandelgids wilde weten of we wel zouden gaan wandelen, gezien de regen? Natuurlijk!, zeiden wij... duidelijk niet met de zin van de wandelgids... hahahaha...

Vanaf het hotel stapten we zo de oase, die het huidige dorp is, in. De gids legde uit dat het een geheim ramadan-gebruik was dat tijdens de vastenmaand sap uit de palmbomen afgetapt werd. Nu de vastenmaand in maart viel en het nog niet warm was, was het palmsap lekker zoet. Als de vastenmaand in een warme of hete periode valt, wordt het sap alcohol, vertelde hij verder met glinsterende oogjes... ineens werd duidelijk waarom hij het een geheim gebruik noemde: in feite drinken de Tunesische moslims geen alcohol ;-) Hij wees aan op de stammen van de palmbomen dat goed te zien was, door plaatselijk stukken dunnere stam waar er 'afgetapt' werd. Hoe het proces precies ging, werd ons toen niet duidelijk. Het leek alsof de palmboom bijna volledig ontdaan werd van zijn kroon, maar hoe het sap opgevangen werd, zagen we niet. We lazen ondertussen dat men in de boom klimt en bovenop de siroop die door de 'wonde' van het weghalen van de boomtop ontstaat, dagelijks afgeschraapt wordt. Als de siroop fermenteert, wordt het "palmwijn" genoemd.

Vanuit de oase stapten we de bergen in. Hier vertelde de gids dat de dorpsnaam 'Hallouf' varken betekende. Dat die beesten er zitten, zagen we aan verschillende pootafdrukken onderweg. Er zitten ook stekelvarkens in de Daharbergen. De dag voordien en ook tijdens deze wandeling vonden we verschillende afgevallen stekels van deze dieren. De diertjes zelf kregen we niet te zien.

De bergen/heuvels van dit gedeelte van het Dahargebergte waren wat steiler dan die van de dagen voordien... en deze wandelgids stapte ook beter door dan de eerdere. Bovenop de eerste top was niet veel te zien van de omgeving door de mist / lage wolken die er hingen. Het ging er ook ineens hard waaien en hagelen, dus we daalden al snel af naar één van de vele dalen. In deze dalen lagen ook van die zelf aangelegde 'tuintjes' door het water slim af te leiden met muurtjes. Door de vele regen die op korte tijd gevallen was, stonden er nu verschillende onder water. De gids vertelde dat de regen in deze periode niet normaal was. Hij vulde aan dat zijn ouders (zestigers?) wel steeds zegden dat het 'in hun tijd' veel natter was in deze periode. De gids was niet blij met de regen, maar de vegetatie en de grondwaterreserves zeker wel. 

Doordat we steeds heuvelpop, heuvelaf wandelden en draaiden en keerden, wisten we al snel niet meer waar we waren. Doordat er geen oriëntatiepunten leken te zijn, was het voor ons moeilijk om ons te oriënteren... en alles leek op elkaar. Ine dacht op een gegeven moment zelfs dat ze bepaalde plaatsen herkende van eerder op de tocht, wat niet zo was natuurlijk... Die gids leek gelukkig wel te weten waar naar toe... 

We wandelden langs een grot in de heuvelwand. Ze grot was maar klein en had maar één kamer. De gids legde uit dat er niemand in woonde, maar dat ze gebruikt werd als overnachting- of schuilplek. Er lagen nog houtskool in een hoekje van de grot, dus waarschijnlijk had er nog niet lang geleden iemand gekookt en waarschijnlijk overnacht, besloten we. Toch bijzonder dat iets dergelijks, in onze westerse ogen, zo primitief, nog zo gewoon is voor deze Berbers. Wat zijn wij 'verwend' of waarom moet het voor ons allemaal zo luxueus en moeilijk!?

Zoals wel vaker, vanwege de zwakke enkelbanden en artrose van Ine haar linkerenkel, sloeg Ine haar voet nog om en viel ze hierdoor op het losse-keien-pad. Ze stapte daar gewoon op verder omdat ze weet dat, doordat ze ook een enkelbrace draagt bij het wandelen, dit nooit echt erg is. Als ze maar gewoon blijft doorstappen, wandelt ze de pijn er steeds uit. Gelukkig kreeg ze dit wel op die plek want nadien begonnen we aan een erg steile afdaling met veel steenslag, terug naar de oase. Daar zou vallen een verdere rol van de heuvel zijn geworden.

Tijdens die steile afdaling kregen we nog, door de erosie van de bergwand, veel kleuren aan zandsteen te zien. Het meest bijzondere was wel de barbie-roze-verkleuring!

Verschillende regenbuien en 11,5 km verder, kwamen vijf uur later weer aan in het grothotel. We kregen even tijd om ons op te frissen en dan kregen we een veel te groot middagmaal voorgezet... pfff... wat hebben we veel gegeten op deze reis!

Na het eten, namen we afscheid van Ksar Hallouf. Na drie kwartiers rijden, onderweg naar onze volgende overnachtingsplek, reden we, in de gietende regen, door het berberdorp Toujiane. Dit dorp is vooral bekend vanwege zijn tapijten... en aangezien wij geen tapijt wilden, stopten we er niet. We stopten wel op een mooie plek voor een foto van het dorpje te maken. Er zijn grotwoningen in Touijane maar, net als steeds, zijn die niet zichtbaar aan de buitenkant. De gebouwde (vervallen) huizen zijn wel groter dan dat we in andere berberdorpen al zagen... toch wéér een beetje anders dan de andere berberdorpen.

75 km en anderhalf uur nadat we in Ksar Hallouf vertrokken waren, draaiden we de oprit van onze  eindbestemming van die vierde reisdag op, Touring Club Marhala in Matmata... een volgend grothotel in weer een ander en verschillend berberdorp.

We werden in het hotel meegenomen naar een mooie binnenplaats met kamers op twee verdiepingen, de twee verdiepingen vertikaal onder de grond. Mooi! Ine, door de hoteleigenaar omgedoopt tot Fatima, kreeg de keuze uit vier verschillende meerpersoonskamers... Ze koos de 'kleinste'. Hier stonden twee grote tweepersoonsbedden en er was rondom in de grot veel plaats om onze spullen te zetten en leggen. Het gedeelde sanitair lag wat verder van de binnenplaats. Het enige 'nadeel' van de kamer was dat er maar één stopcontact was. Over de volgorde van het opladen van de powerbanks, camerabatterijen en gsm's werd goed nagedacht.
Het was rond drieën, wat maakte dat we nog voldoende tijd hadden voor het donker werd om het stadje te ontdekken. We hadden een kopietje uit onze reisgids bij met het stadsplannetje van Matmata op zodat we dat allemaal slim konden aanpakken... niet dat er heel veel te zien was, maar we wilden niks missen.

Matmata is de belangrijkste stad in het Daharberggebied. De manier van wonen, is net weer anders dan in de eerdere berberdorpen waar we voordien waren. In eerste instantie zie je alleen de hoofdstraat en enkele stenen huizen midden in een heuvelachtig maanlandschap met verspreide witte marabouts grafhuisjes. Pas als je wat beter en langer kijkt, zie je gelijkmatig ronde kraters in het midden van kleine terpen aarde : de grotten van de Berber-families. Ze zijn naar beneden toe gebouwd in plaats van tegen en in een bergflank. Van bovenaf kijk je uit op een schachtachtige binnenplaats, van waaruit meerdere kamers uitkomen en in het midden een waterput. Een tunnel leidt naar buiten, de ingang is meestal mooi ommuurd.
Eke getrouwde zoon heeft zijn eigen kamer in deze familiegrotten. Er is ook een keuken en bergruimten. De muren zijn, net als in de eerdere grotten waarin we verbleven, bedekt met gips en zijn witgekalkt. Ieder jaar, vlak voor de zomer, worden kalk en gips weggehaald en wordt weer een nieuwe laag aangebracht. In die laag vermengt men kruiden om allerlei beestjes, ongedierte en muffe geuren buiten te houden.

Vanuit ons grothotel wandelden we eerst van het nieuwe dorpscentrum weg. Al snel wandelden we langs een locatie met verlaten grotwoningen. Het interessante hieraan was dat we er, zonder iemand te storen, 'erop' konden. Dit maakte dat we ín een binnenplaats van een grotwoning konden kijken, in plaats van er enkel in binnen te gaan en op die manier te bekijken.

Ondertussen waren we al twee keer aangesproken. In andere dorpen was dit niet. Matmata was duidelijk wat meer toeristen gewoon. Als we gewild hadden, waren we naar een restaurant gebracht en waren we naar het museum ksar Matmata begeleid... maar naar dat laatste waren we sowieso onderweg en lag echt niet ver weg... Toen we aan het museum aankwamen, stapte een kerel van zijn brommertje en liep met ons mee naar binnen. Hij gaf wat uitleg over wat we zagen in de lange inkomgang. De inkomprijs, TND 10 (= € 2,95) moesten we betalen aan een dame die binnen zat... we hadden het kereltje dus meteen door... hij was geen 'gids'. Hij bleef praten, maar was even van zijn melk toen Ine vroeg of zijn diensten inbegrepen waren in de inkomprijs. Hij ontkende het niet, maar daarna probeerde hij ons een avondeten, of een tour voor de dag nadien aan te smeren... en uiteindelijk droop hij, zonder fooi, af... Hij had ons toch helemaal verkeerd ingeschat! Wij zijn geen domme toeristjes die overal zomaar intrappen! Hahahaha...

Het museum is een oude typische grotwoning van de regio. Vanuit een binnenkoer met waterput is toegang tot verschillende kamers. Er was één kamer die via een stenen trap te bereiken was. De verschillende (grote) kamers waren allemaal ingericht naar de functie die ze ooit hadden en met materiaal dat gebruikt werd. Zeker ook de olijfolie-opslagplaats met verschillende aarden karaffen en de gebruikte materialen van de deuren en deurstijlen (deels palmboomhout, deels olijfboomhout) waren interessant om zien. Toen we in de ontmoetingsruimte van de woning kwamen, kwam de dame van het museum ons thee en brood brengen... lekker!

Vervolgens liepen we wel richting het stadscentrum, maar namen we een afslag eerder om bij het Sidi Idriss Hotel te geraken... toch wel een plek die je in Matmata gezien moet hebben... ook zoals wij, als niet Star Wars-fans. 

In dit grothotel werden immers opnames gedraaid voor deze films en series. Een binnenplein van dit grothotel was namelijk de woonplek van (o.a.) Luke Skywalker, de ondergrondse boerderij "Lars Homestead" op de planeet Tatooine (filmlocatie in 1977 en 2002)... en eigenlijk is het er nog steeds op dezelfde manier ingericht... en is het een grote toeristische trekpleister.
Een grote groep vertrok net toen wij binnengingen. Waarschijnlijk was aan ons te zien dat we geen fans zijn want de speciale souveniersshop werd gewoon gesloten terwijl wij er nog rondliepen :-D

Na ons Star Warsbezoek wandelden we nog door het centrum van Matmata. De mensen waren er super vriendelijk, geen gezeur... mogelijk dat slechts weinig toeristen zich laten zien in het stadscentrum. In het centrum stonden rechthoekige huizen. Of zij ook nog een verdieping (of meer) onder de grond hebben, kregen we niet te zien, maar dat kan haast niet anders, al kan het misschien enkel voor hun voorraad zijn... maar onze kelders liggen ook onder de grond...

Na ons bezoek aan oud en nieuw Matmata gingen we even in de hotelreceptie zitten. Dat was de enige plaats in het hotel met internet. Op dat moment was de verbinding van goede kwaliteit. Toen we er, na het avondeten, met meerdere mensen zaten, was die kwaliteit slecht... maar erg was dat niet. Johan had overigens ook een eSIM geregeld. Hierdoor had hij, zonder de hoge roamingkosten, steeds toegang tot het Tunesische netwerk... en dat had hij, gezien wat regelzaken voor de festivals waarbij hij betrokken is, toch ook nodig...

17 maart 2026

Chenini - Guermassa - Ksar Hallouf (3/8)


We hadden weer goed geslapen in onze grotwoning in Chenini. We hadden, in ieder berberdorp waar we overnachtten, een meerpersoonsslaapkamer met dus gedeeld sanitair. Vanwege de zeer rustige toeristische periode hebben we wel steeds met ons tweeën in een kamer kunnen slapen... en was het alsnog een klein beetje luxe... al zouden waarschijnlijk anderen wat problemen hebben met de 0-sterrenverblijven waar we overnachtten.

Na ons ontbijt waren we weer helemaal klaar voor een volgende wandeltocht. Het had die nacht en ochtend van 9 maart '26 geregend en er hing mist tussen de Daharbergen. Het was best frisjes en er vielen af en toe nog druppels, maar tijdens de wandeling kregen we geen regen meer. Het was eigenlijk ideaal wandelweer!

Volgens onze vooraf gekregen reisbeschrijving zouden we via het dal van Chenini naar Guermessa/ Guermassa wandelen. Onze wandelgids had besloten dat we de nabijgelegen berg op gingen en via het bergplateau zouden wandelen, de route die de herders nemen.

Het was half 8 toen we aan onze wandeling startten. Bij het afdalen van het dorpscentrum passeerden we nog verschillende grotwoningen met daarbij hokken met schapen en geiten. De hokken waren een samenraapsel van allerlei platen, houten schutsels en roosters... we gingen terug in de tijd... Op onze weg naar beneden was een berber, in traditionele puntjas, bezig met het scheiden van de olijven van de blaadjes en takken. De olijven waren om te persen, de rest voor de dieren, legde de gids uit.

Onderaan de berg die we op moesten, leek dit een zware beproeving. Onderweg viel dit erg goed mee. Dit kwam voornamelijk door het trage tempo dat de gids aanhield... tja, wij willen waarschijnlijk altijd veel te snel wandelen, terwijl die berbers daar niet mee bezig zijn... Het trage tempo maakte dat zelfs Ine, die niet goed kan 'klimmen', gewoon kon volgen én zelfs nog foto's kon maken van de verschillende bloemetjes die er tegen de helling stonden.

Het pad lag er best goed bij. Er waren maar weinig stukken waar er enkel losse stenen en keien lagen. Eens boven op de berg verliep onze wandeling glooiend. Afhankelijk van welke richting we uitwandelden - en of er hogere bergen lagen - hadden we wat last van windvlagen en -stoten. Dit maakte dat we onze truitjes echt wel nodig hadden bij het wandelen. En voor Ine, tijdens het rusten, was zelfs een extra truitje nodig.

Hetgeen we onderweg zagen, verschilde niet veel van de dag voordien of van de kilometer ervoor, maar bleef interessant en bijzonder. Gaandeweg passeerden we opnieuw deels ommuurde stukken grond met daarin olijfbomen en wat palmbomen. De gids vertelde dat de olijven van deze bergen niet lekker waren om gewoon te eten. Ze zijn kleiner dan die van de grote olijfplantages aan de kust en worden, als ze al zwart zijn, pas geoogst. De olijfjes zitten boordevol olie in plaats van vruchtvlees, konden we zien. 
Hier en daar zagen we ook amandelbomen. Deze hadden in deze periode bloesems. 

Onderweg, aan een waterbron, kwamen we een grote kudde met geiten en schapen tegen. Er waren ook verschillende honden en één ezel met bepakking. De gids zei dat één van de twee herders zijn neef was. We bleven een tijdje bij de kudde staan en zagen de herder water uit de waterput halen en in de waterbakken gooien zodat zijn beesten konden drinken. Nadat we hen verlieten, zagen we ze nog een tijdje over de heuvels lopen... wat een hard leven!

Bovenop het plateau lagen eerst veel zwarte zandstenen. Ze zagen er een beetje uit als aardekluiten, maar het waren echt wel stenen, maar, toch waren er, van wind en water, allerlei inkervingen te zien aan de oppervlakte. Nadat die zwarte stenen wat verdwenen, lagen er meer lichtgekleurde, platte en grote stenen en rotsen. 

Hoe dichter we bij onze eindbestemming Guermassa kwamen hoe vaker we gekraste/geklopte voetstappen / sandalen in het platte gesteente zagen. De gids kon er niet veel over zeggen, enkel dat het een gebruik was dat enkel door mensen van Guermassa gedaan werd maar geen betekenis had... na wat eigen onderzoek, want deze uitleg wilde Ine gewoonweg niet aannemen, is er nog niet veel meer duidelijk geworden, máár het zou om een oud-berber-gebruik gaan dat uitgevoerd werd een week na het huwelijk, als overgangsritueel. Het zou ook niet enkel in Guermassa te zien zijn.

We kregen onderweg weer een veel te uitgebreide maaltijd: brik en sla/tomaat/komkommer/olijven, gekruide rijdt met koude kip en als dessert zalabiya en bambalouni... Ine eet eigenlijk niet vaak vlees en zéker geen koud vlees... De gids vertelde dat Tunesiërs niet dagelijks vlees of vis eten, uitgezonderd tijdens de ramadanperiode... als oplossing at Johan de kip van Ine en at Ine het grootste gedeelte van het dessert...

Na het middagmaal startte de afdaling van het plateau. We kregen ook weer meer van de verschillende dalen in de omgeving te zien... en uiteindelijk, maar enkel als we goed keken, kregen we de ruïnes van het erg grote voormalige ksar Guermassa te zien. Wat was die vesting door de manier van bouwen van de woningen tegen en in de bergen goed weggestopt!

Archeologen schatten dat ook Guermassa in de 12e eeuw werd gesticht. Het dorp is erg groot en spreidt zich uit over twee bergflanken. De woningen die we binnen gingen, waren groot, veel groter dan in de eerdere dorpen van deze soort die we de dagen voordien zagen. Er zijn in het dorp twee (witte) moskeeën. Het berberdorp werd rond de jaren zeventig al verlaten vanwege het opgeraken van het water dicht bij de woningen. Ook hier werd, gaandeweg, een nieuw dorp in het dal gebouwd, maar vele inwoners verhuisden ook naar het noorden van Tunesië.

Na 15 km en zes uur onderweg te zijn geweest, zat onze wandeling van Chenini naar Guermessa er op... en stapten we rond half 2 bij onze chauffeur in de jeep. We reden eerst een half uur terug naar Tataouine om onze wandelgids er weer af te zetten. 
In Tataouine stopte de chauffeur ook bij een patisseriezaak. Hij zei dat het de beste van de streek was en dat hij iedere keer als hij in Tataouine was langs ging om er zoetigheid te halen voor zijn familie in Douz... Ine twijfelde niet... en liep achter de chauffeur aan... zij moest ook van dat lekkers!

Een uur later stopten we aan Ksar Hallouf. Deze ksar / dit versterkt dorp was anders dan de voorgaande die we bezochten. Het dorp werd deels gebouwd in de 13e eeuw en in de 19e eeuw uitgebreid. Aan het begin van de 20e eeuw geraakte het in verval. De site is in 2006 gedeeltelijk gerestaureerd en het dorp doet nu enkel dienst als toeristische attractie. Sommige van de 200 à 500 "ghorfa's" van het dorp zijn gedeeltelijk ingestort. Het Arabische woord ghorfa verwijst naar de individuele kamers van de woningen. Het dorp als geheel wordt ksar genoemd.
Het Ghorfa-type bestaat ​​uit een reeks kamers met tongewelven, elk met een enkele deur, in rijen gebouwd en op elkaar gestapeld om meerdere verdiepingen te vormen. Deze zijn, in het geval van ksar Hallouf, georganiseerd rond een 130 meter lange binnenplaats van waaruit de kamers toegankelijk zijn. De woningen kunnen wel vier of vijf verdiepingen hoog zijn. De kamers werden gebruikt om graan, dadels en ander voedsel of dierlijke producten op te slaan. De kamers op de begane grond zouden ook gebruikt kunnen worden als woonruimte voor bewakers en dieren. De kamers boven de begane grond zijn toegankelijk via externe trappen. Veel van deze bouwwerken zijn gebouwd met losse stenen en klei.
Anakin Skywalker uit de eerste Star Wars woonde in een dergelijke ksar van het ghorfa-type.

Deze ksar ligt bovenop een heuvel boven het huidige dorp Ksar Hallouf, dat in een oase tussen vele palmbomen ligt. In dit dorp overnachtten we die nacht in grothotel Dar Sana. Onze meerpersoonskamer lag weer in een grot met daarvóór ghorfa's. 

16 maart 2026

Dag 2 : Djerba - Douiret - Chenini

Op zondag 8 maart jl. werden we om 8u opgehaald door onze chauffeur. We reden het eiland Djerba af over een brug. Langs de brug loopt een lange pijpleiding, drinkwater vanuit het vastenland voor het eiland, vertelde de chauffeur.

We maakten een fotostop aan Sebkhat el Melah. Dit zoutmeer ligt niet ver van de Middellandse zee. Het is 150 km2 groot en ligt onder zeeniveau. Het meer bevindt zich in een verdampingsbassin. Af en toe infiltreert zeewater het waterbekken, waarbij opgeloste mineralen worden meegevoerd die later achterblijven als het water verdampt. Dit zoutmeer is zeker niet het véél grotere en meer naar het westen liggende Sjott el-Djerid.

Het landschap dat we onderweg te zien kregen, veranderde gaandeweg: van grote weilanden met olijfbomen, over vlakke 'leegtes' met kleine struikjes tot we de bergen van het Dahar-gebergte te zien kregen. In die bergen zouden we de volgende dagen wandelen en verblijven. In deze bergen wonen de Tunesische Berbers.

Berbers zijn de oorspronkelijke, inheemse bevolking van Noord-Afrika, wonend in landen als Marokko, Algerije, Tunesië en Libië, in de Egyptische oases van Siwa en Gara, in Mauritanië en in Mali. Ook de oorspronkelijke bewoners van de Canarische Eilanden, de Guanchen, worden tot de Berbers gerekend. Ze hebben een eigen taal, cultuur en tradities, en een geschiedenis die meer dan 15.000 jaar teruggaat in de regio.

De bergdorpen kennen een prachtige ligging op een bergkam en bieden dan ook een prachtig uitzicht over de omgeving. Traditioneel woonden de Berbers van Tunesië in grotwoningen die strategisch ondergronds waren gebouwd om aan de zomerhitte te ontsnappen. Het is verbazingwekkend hoe deze ondergrondse huizen in de zomer hun eigen natuurlijke airconditioning kunnen creëren en in de winter ook op natuurlijke wijze opwarmen. Voordat men de eigenlijke woning betreedt komt men meestal eerst in een voorportaal waar de lastdieren stonden. Elk dorpje heeft een witte moskee, die sterk afsteekt tegen de aardenkleurige grotwoningen. De meeste Berbers zijn namelijk soennitische moslims. Vóór de islamitische veroveringen van de 7e eeuw waren veel Berbers christelijk, met een joodse minderheid.

De grotwoningen zijn tegenwoordig voornamelijk verlaten en in verval. Toch wonen er nog families. De meesten zijn echter, dichtbij de oude grotdorpen, in de vallei gaan wonen en hebben er nieuwe dorpen gevormd.

In de stad Tataouine ligt in het zuiden van Tunesië. Het ligt in een gouvernement met dezelfde naam. Het is het grootste van Tunesië... en is zelfs iets groter dan België. Hier begint de Sahara. In de stad pikten we onze "wandelgids" op.

Misschien klinkt Tataouine bekend? De stads-/provincienaam was inspiratie voor de planeet waarop Star Wars zich afspeelt, Tatooine. In de omgeving werden vele scènes van de oude films en series opgenomen... toen werd dat nog in 'het echt' opgenomen en nog niet met computeranimatie gemaakt...

Na een half uur rijden vanuit Tataouine kregen we te zien waar we heen reden, (ksar) Douiret. Na een korte fotostop om de hele ksar /vestingstad op één foto te krijgen, konden we uitstappen om aan onze wandeling van de dag te starten.

Douiret ontstond waarschijnlijk zo'n 600 jaar geleden. In 1850 telde het ongeveer 3500 inwoners. Het was een belangrijke karavaanstopplaats tussen Gabès in het noorden en de Libische stad Ghdamès in het zuiden. In 1882 werd Douiret tijdelijk door het koloniale Frankrijk gekozen als het centrum voor zijn administratie in het zuidelijke deel van Tunesië, voordat het kort daarna werd verlaten ten gunste van Tataouine. In de 20e eeuw zag Douiret zijn bevolking geleidelijk afnemen, aangezien veel van zijn inwoners voornamelijk naar de Tunesische hoofdstad Tunis migreerden. Sinds het einde van de 20e eeuw en het begin van de 21e eeuw ligt het oude dorp Douiret vrijwel volledig in puin. Een pad van ongeveer 3 km staat nu vol met verlaten woningen die grotendeels in puin liggen, met uitzondering van de opvallende witte moskee, bekend als 'de palmboommoskee'. Enkele woningen zijn gerestaureerd en omgevormd tot hostel en er werd een campingplaats aangelegd onderaan het oude dorp.

Onze wandelgids nam ons mee doorheen de woningen die allemaal deels in de bergflank gebouwd werden. Hij toonde ons welke techniekjes ze gebruikten om hun voorraden op te slaan, vijanden buiten te houden, de slaapkamers op een constante temperatuur te houden (fris in de zomer en warm in de winter) maar ook, als stad, aan het zicht te ontsnappen doordat de voorgevels bijna volledig dicht waren waardoor van ver niet te zien was dat er een stad tegen een bergflank lag. De moskee lag eerst ook volledig in de bergwand verwerkt. Pas later werd er een minaret gebouwd en werd deze wit. We gingen langs de olijfoliepers en kregen uitleg over hoe een dromedaris gebruikt werd om de maalsteen te bedienen en hoe de olijven in een soort van platte, gesloten manden geplaatst werden en uitlekten in karaffen. Zo goed als het hele dorp had ooit handelgedreven met de reizigers in de karavanen maar waren ook zelfvoorzienend, zei de gids.

Aan het einde van het dorp Douiret startte onze wandeling naar het volgende berberdorp, Chenini. Via een oude handelsroute wandelden we, aan een traag tempo en met verschillende pauzes, tot in Chenini.

Vlak buiten Douiret kwamen we herders met een kudde geiten tegen. Ze werden door de herders, maar ook door honden gestuurd en beschermd. De wandelgids legde uit dat de geiten onderweg grazen en naar een waterbron geleid werden.
We wandelden steeds langs en over de bergflanken met uitzicht op de volgende bergflanken. Naast veel lage, ruwe kruidachtige struikjes stonden er best veel kleine bloemetjes. En op verschillende plekken stonden er olijfbomen en palmbomen. Via muurtjes en wallen wordt het weinige water dat er valt naar lager gelegen 'tuintjes' geleid waardoor deze bomen wel voldoende vocht krijgen. Andere muren werden dan weer gebouwd om, bij hevige regenval, te voorkomen dat er modderstromen ontstaan en stukken berg wegglijden.  

Als lunch had de gids een gedeelte van zijn ramadanmaaltijd meegenomen. Hij noemde het ook een typische berbermaaltijd. We móesten eten, ookal wilden we dit niet persé aangezien de gids aan het vasten was. We kregen een brik, een salade van sla, komkommer, tomaat en olijven, een kruidige pastasalade met kippenworst en kippenblokjes en brood. Als nagerecht kregen we zalabiya, plakkerige zoetigheid... Ine was in haar nopjes!

Het weer was ideaal om te wandelen: niet te warm, niet te koud. Een truitje was, voornamelijk voor de windvlagen, nodig. Het was bewolkt, maar soms priemde de zon door de wolken. Op plaatsen waar we vergezichten hadden, was het wat heiig. Het zou zo'n 23° zijn geweest, maar we denken dat het toch iets frisser was op de bergen.

Toen we het 'nieuwe' Chenini in het dal van het oude Chenini waar wij heen wandelden in zicht kregen, kregen we ook verschillende afgeplatte bergflanken te zien. Volgens de gids werden deze gebruikt voor Star Wars.

Na een best moeilijke afdaling, omdat het pad vol dikke keien lag, kregen we drie waterbronnen in zicht. Enfin, doordat er op een bergflank op drie plaatsen palmbomen stonden, konden we zien dat er daar water was. Deze bronnen werden gebruikt als drinkwater, om kleding te wassen, om vee te laten drinken en om te gebruiken rondom een moskee. Deze moskee zou de 'Moskee van de zeven slapers' zijn. Tijdens onze wandeling wandelden we langs deze 'bijzonder gevormde' moskee: de minaret staat scheef, maar daarnaast zijn alle hoeken afgerond. Het leek alsof een kleuter het uiterlijk van de witte moskee getekend had.

In deze moskee zouden de zeven slapers begraven liggen. De oorsprong hiervan gaat terug tot de christelijke legende van de zeven slapers uit Efeze die, tijdens de vervolging van Romeins keizer Decius, levend werden ommuurd in een grot in het Turkse Efeze. Ze werden na 309 jaar te slapen op wonderbaarlijke wijze bevrijd onder het bewind van keizer Theodos. De legende is ook te lezen in de Koran. Men weet niet precies waar deze zeven begraven liggen... dus zijn er vele plekken als hun (mogelijke) begraafplaats aangeduid... ook deze, dus.

Van aan de moskee moesten we nog een kleine afdaling en klim doen om onze eindbestemming, (ksar) Chenini, te bereiken. We hadden dan negen kilometer gewandeld... en deden er maar liefst vier uur over... inderdaad, dat heeft lang geduurd! De gids wandelde traag en liet ons vaak en vrij lang pauzeren... een les in geduld voor Johan ;-)

Chenini werd op een heuveltop gebouwd tussen twee heuvelruggen. Dit om het te beschermen tegen aanvallende partijen. De oudste bouwwerken op en in de heuvel dateren uit de 12e eeuw. Sommige rotsgebouwen worden nog steeds gebruikt om graan op te slaan voor de dorpelingen die in de vallei beneden wonen., maar toch wonen er in het oude Chenini nog families en zijn er grotwoningen die als hotel Kenza gebruikt worden, waar wij overnachtten.

Aangezien we rond half 4 in het dorp waren en tot 's anderendaags afscheid hadden genomen van onze gids hadden we nog tijd om wat buiten bij onze grotwoning in de zon te zitten, te douchen en te rusten...

's Avonds konden we gaan eten in het restaurant van Kenza, iets lager in het dorp. We kregen brik, soep, couscous met kip en een appelsien en qarn al-ghazal, weer zo'n zoete, plakkerige lekkernij! Óók hier hadden we, net als de avond voordien, het gezelschap van enkele hongerige, miauwende katten onder onze tafel.

Het dorp had tot 2013 geen internettoegang en ook nu moesten we hiervoor naar de kantine bij de moskee gaan. Hier kregen we, bij ons koffietje en citroenlimonade, een zoet gebakje... omdat het iftar was!
De eigenaar had 's middags van onze wandelgids gehoord dat we 's anderendaags naar een volgend berberdorp zouden gaan wandelen. Hij vroeg er ons naar, wat een aanwezige jongere spontaan een bewondering liet uitspreken... we waren al benieuwd!

15 maart 2026

Dag 1: Houmt Souk

Ondertussen zijn we, sinds gisternamiddag, terug thuis, dus moeten we jullie nog helemaal bijpraten over onze afgelopen reis doorheen Zuid-Tunesië :

Zaterdagnacht 7 maart '26 stonden we om 2:15 uur op. We hadden immers al om 6:10 uur onze vlucht vanuit Brussel naar Djerba. We vlogen eens niet met een lijnvlucht, maar met een TUI fly-vlucht. Na zo'n drie uur en een kwartier vliegen, landden we op de luchthaven van Djerba. Vooraleer we uitstapten, moesten we onze boardingpass laten zien om te voorkomen dat er toeristen te vroeg zouden uitstappen... gelukkig dat die check gedaan werd. Of er nu mensen te vroeg wilden afstappen, hebben we niet gezien, maar we hebben in het verleden zo al vrij lang op een idioot-die-blijkbaar-niet-naar-de tientallen-afgeroepen-boodschappen-geluisterd-had moeten wachten...

In de winter is er geen tijdsverschil tussen België en Tunesië, dus dat was fijn gemakkelijk. Het maakte ook dat we dus al vroeg op Djerba waren. Aan de uitgang van de luchthaven stond iemand ons netjes op te wachten met een bordje "ANDERS REIZEN", de reisorganisator die onze reis geregeld had. We vernamen dat we tijdens onze reis steeds dezelfde chauffeur zouden hebben... ook gemakkelijk. De reis werd uitgevoerd door het locale Agence Alyssa... en vanaf dan haalden we onze Franse woordenschat van onder een dikke laag stof.

Al na een kwartiertje rijden, stopten we aan ons hotel, Hotel Touring Club Marhala, in de hoofdstad van Djerba Houmt Souk. Er werd ons geadviseerd om zeker in het stadscentrum rond te wandelen... al moesten we er rekening mee houden dat het er rustig was en dat alle eet- en drankgelegenheden gesloten waren vanwege Ramadan... en dat rond gaan neuzen, waren we sowieso van plan!

Als eerste actie gingen we euro's omwisselen in Tunesische Dinars. We zouden, aangezien alle maaltijden voorzien waren, niet veel uitgaven hebben, maar we moesten natuurlijk wel voldoende fooiengeld voorzien voor al onze begeleiders tijdens onze rondreis.

Het was inderdaad erg rustig in het stadje. Heel veel zaakjes, al-le-maal horecazaakjes, waren dicht. We struinden wat rond door het oude stadscentrum met z'n wirwar aan smalle straatjes, bazaar en soek en wisten, zoals steeds, de verkopers van souvenierswinkeltjes vriendelijk, doch kordaat, van ons weg te houden. We wandelden langs verschillende moskeeën, oude gebouwen en verschillende pleintjes. Onderweg richting de Middellandse Zee stopten we bij een patisserie voor wat Tunesisch zoets en bezochten we een supermarktje. Daar was het érg druk: blijkbaar was het hét moment om alvast inkopen te doen voor iftar 's avonds. De aankopen verschilden van persoon tot persoon, maar iedereen had wel massa's melk, dadels en eieren mee... wij kochten wat water en zachte maanzaadbroodjes... en keken onze ogen uit...

Buiten het centrum, aan de kust, die zo goed als geen strand heeft bij Houmt Souk, staan nog de resten van de vesting Bordj El Kebir (ook Fort Ghazi Mustapha). We zetten ons er wat neer op een muurtje en dronken er stiekem... in het centrum wilden we dat niet doen om de vastende bevolking niet voor de borst te stoten. Het fort is te bezoeken, maar dit deden we niet: het was klein en aangezien we al vele van dit soort forten zagen, konden we ons niet voorstellen dat we er iets zouden zien dat we nog nooit zagen.

Het fort heeft een lange geschiedenis. Het werd gebouwd op de fundamenten van het Romeinse kasteel van het Romeinse dorp Griba. Aan het einde van de 14e eeuw werd het fort gebouwd. Tussen 1450 en 1881 gebeurde er niet veel in het kasteel/fort. In 1881 werd het door de Franse bezetters weer in gebruik genomen. In het begin van de 20e eeuw werd het weer eigendom van de Tunesische overheid. Deze besloten tientallen jaren later het ondertussen vervallen gebouw te restaureren. Ondertussen werden er ook twee mausolea in onder gebracht.

Op onze terugweg naar ons hotel passeerden we ook nog de St.- Jozefkerk. Blijkbaar is het een betoverende bestemming... het laat in ieder geval zien dat er verschillende culturen (hebben) kunnen samenleven in Tunesië. Op zondagochtend zouden er missen in het Engels, Duits, Frans en Italiaans zijn... en moesten we daar al in geïnteresseerd zijn: tegen dan hadden we het eiland Djerba al verlaten.

Nadien namen we een rustperiode op de binnenplaats van ons hotel. Het hotel is een gerenoveerde karavanserai, die ze opnieuw aan het renoveren zijn... mooi en authentiek.

Na het rusten, wandelden we opnieuw het centrum van Houmt Souk uit. Ditmaal wandelden we richting de Joodse wijk, Hara Seghira. Volgens onze reisgids kon een bezoek aan Houmt Souk niet zonder hier heen te gaan... Zoals vaak in Joodse stadsdelen was ook deze wijk verpauperd
De synagoge in de wijk zou de oudste van het Afrikaanse continent zijn en werd al in 586 v.C. geplaatst. Volgens overleveringen vluchtte een groep joden na de verwoesting van de Tempel van Salomo in Jerusalem naar dit eiland, waar ze deze synagoge bouwden.
In 2002 werd er een zelfmoordaanslag door Al Qaida gepleegd en ook in 2018 en 2023 waren er kleine aanslagen.
Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog politiecontroleposten rondom en in de wijk. Er zouden nog joden wonen in de wijk maar we zagen ook veel woningen met islamitische symbolen op hun gevel. De synagoge is niet meer in gebruik en is een ruïne geworden. Of er een nieuwe synagoge is, weten we niet.



Vlak na zonsondergang waren we weer terug in het centrum van Houmt Souk... dat was nu he-le-maal uitgestorven: het was namelijk iftar.

Wij kregen een avondmaal in ons hotel. Dit startte met Tunesische bourek (of brik). We leerden later in de week dat dit een typisch ramadangerecht is... We aten het dus ie-de-re avond. Het is een gefrituurd, flinterdun malsouka-deegpakketje, vaak driehoekig, gevuld met ei, tonijn, peterselie, ui en harissa is. Het gerecht wordt meestal gefrituurd tot het goudbruin en knapperig is, waarbij het eiwit gestold is en de dooier nog iets vloeibaar... en gelukkig voor Ine zit er echt niet veel tonijn in... en het was, iedere dag, erg lekker!

Helaas voor Ine was het nagerecht deze avond een bordje met sinaasappel en aardbei...

07 maart 2026

Zuid-Tunesië in al z'n variaties

We zijn weer op weg!


We volgen deze route in de Tunesisiche Sahara. Of we overal wifi gaan hebben, laat staan tijd om berichten te schrijven, is erg twijfelachtig... jullie gaan het zien...

Tot snel!

06 maart 2026

Saharastof


Saharastof in de lucht! ...en zo geraken we, op de dag vóór ons vertrek naar Tunesië, alvast gewoon aan het stof van de Sahara!

Hier het weerbericht voor vrijdag 6 maart '26


Trouwens, wat een geluk dat we in december '25 naar Cyprus gingen.
De huidige oorlog maakt dat immers op dit moment niet mogelijk.

05 maart 2026

Slangen...

We hebben al verschillende slangen "in het wild" gezien. Ine is er bang voor en krijgt een hartverzakking van ieder, groot of klein, exemplaar dat ze, van ver of kortbij, ziet... ze lijkt ze ook steeds eerst, eerder dan Johan, op te merken...
Vanwege de angst gaat ze ook altijd, vóór we ergens naar op reis gaan, na door welk slangenbeest ze de stuipen op het lijf kan gejaagd worden, gewurgd of vergiftigd kan worden... 
en ja, Ine wéét dat de kans om een slang tegen te komen (en dat die dan ook nog eens agressief wordt) érg klein en eigenlijk zelfs uniek is, maar toch...

Tot Ine haar grote schrik leven er 18 slangensoorten in Tunesië en maar liefst 48 soorten slangen in Tanzania

Ine zocht ineens ook al op welke glibberige, enge viezegaarden er op onze andere al geplande reisbestemmingen van 2026 voorkomen: 
Er zijn drie inheemse slangensoorten in Denemarken, namelijk de adder, de ringslang en de gladde slang. Diezelfde drie soorten komen ook in Engeland voor... en die eerste twee zelfs in Londen...
en ook in België komen die drie soorten voor... en blijkbaar, plaatselijk in de buurt van treinsporen in Kuringen, komt ook de exoot de Chinese prachtslang/Taiwanese rattenslang voor (info en bron).
bwêkkus!

Een slangenfobie heet trouwens "ofidiofobie"... maar bij Ine is het lang zo erg niet, hoor, ze zal nooit gebieden of "de natuur" vermijden om de glibberds niet tegen te kunnen komen. Angst voor slangen zou overigens vrij normaal zijn, ook bij primaten... Ine besluit dat het dus terecht is dat ze er bang voor is! ;-)

03 maart 2026

Musjes



Tijdens het afgelopen Grote Vogelweekend bleek dat het aantal van de huismus achteruit blijft gaan (bron)... 

Hoogstwaarschijnlijk komt dit omdat wij niet meegeteld hebben! Aan óns zal die achteruitgang niet liggen. Wij zijn immers ieder jaar verantwoordelijk voor het opgroeien van ver-schil-len-de nestjes huismussen. 


De dakrand van de buurman biedt woon- en nestplekken. Wij bieden in ons tuintje naast gevarieerde voeding ook schuilplaatsen, water en zand.
De werkelijk tientallen mussen jagen en pesten iedere zomer iedere andere vogelsoort, zoals meesjes, weg uit onze tuin. Ieder jaar zijn zij heer en meester over onze verschillende voederplekjes!

De huismus is blijkbaar een honkvast dier dat zich zelden verder dan 500 meter van zijn geboorteplek begeeft... binnen enkele jaren voorspellen we een ferm huisvestingsprobleem!

01 maart 2026

3 Festivals

De afgelopen weken en komende week had en heeft Johan het weer druk. Naast gaan werken, had en heeft hij veel vergaderingen en regelzaken van de drie reggae-festivals waarvoor hij mee de programmatie en boekingen doet, gehad: Wadada Festival, Irie Vibes Roots Festival en (opnieuw) Reggae Geel.

Fijn dat dit tegenwoordig ook meestal via online vergaderingen besproken en geregeld kan worden. Anders zou Johan, naast de concerten waar hij regelmatig heen gaat, de toch ook fysieke vergaderingen en zijn late- en weekenddiensten maar heel weinig samen met Ine thuis zijn

Het Wadada Festival gaat al heel vroeg van het festivalseizoen door, namelijk al op 22 en 23 mei '26. Het gaat door op zo'n 5 km van Geel-centrum.
Ondanks dat de volledige line-up nog maar sinds een dikke week bekend is, is het kleine festival al lang, snel na het vrijgeven van tickets, uitverkocht. 
Johan nam en neemt de organisatie van de 'Fik'iri Forest', het nevenpodium, voor zijn rekening... dergelijke nevenpodia vindt Johan steeds de allerleukste podia omdat hij dan goed 'creatief' kan zijn in wat rond en op deze podia terecht komt

Afgelopen vrijdag werd de volledige line-up van Irie Vibes Roots Festival bekend gemaakt. Dat start op donderdag 23 juli met Kortemark Congé. Van vrijdag 24 tot en met zaterdag 25 juli vindt het festival zelf plaats in Kortemark.

Voor dit festival helpt Johan mee met de programmatie en boekingen en zal hij tijdens de drie festivaldagen ook meewerken om alle artiestenzaken mee te organiseren.

info

Op 13 februari werden de eerste twaalf namen van Reggae Geel 2026 bekend gemaakt. Dit jaar zijn er drie festivaldagen en start Reggae Geel op donderdag 30 juli. Het eindigt op zondagochtend 2 augustus.

Johan zit niet meer in het bestuur van het festival, maar heeft wel meer taken dan vorig jaar. Hij is betrokken bij de programmatie, boekingen, verantwoordelijk voor nevenpodium Yaga Yaga, en stippelt nog steeds mee het veiligheid- en 'welzijnsbeleid' uit.

info