Nadat we uitgewuifd werden, reden we een twintigtal kilometers verder, tot in het stadje Mto wa Mbu. Mto wa Mbu is Swahili voor 'rivier van muggen'. Gelukkig hebben we er daar, de ochtend dat wij er waren, niet veel van gemerkt. Het plaatsje is groot geworden door de toeristen die er, tussen verschillende safariregio's reizen, stoppen en/of overnachten. Mto wa Mbu is een smeltkroes van culturen: Er wonen mensen van vrijwel alle 120 verschillende etnische stammen van Tanzania door elkaar.
Door de vruchtbare grond wordt er volop geoogst, waaronder meer dan 30 soorten bananen, rijst en diverse groenten. Het dorp staat verder bekend om zijn markten.
Wij gingen in Mto wa Mbu met een gids van het ene naar het andere fietsen. Voor Ine was het al sinds China (2011) dat ze nog gefietst had op een gewone fiets. Voor Johan was het nog niet zo lang geleden omdat hij voor het werk nog gefietst had.
We stopten een eerste keer bij een kleine kudde zebra's en gnoes. De dieren stonden op het domein van de plaatselijke school te grazen. De jonge gids vertelde dat het wilde dieren waren. Ze zijn afkomstig van een park in de buurt (die niet omheind zijn), maar zijn na een regenperiode niet terug naar het park gegaan. De kudde is in Mto wa Mbu gebleven... en is er nog steeds... vreemd om deze dieren zo in een bewoond gebied te zien.
Vervolgens fietsten we door een wijkje. onze gids legde uit dat er in de loop der tijd anders gebouwd wordt: eerst gebruikten alle stammen leem en takken bij het bouwen van hun woningen, maar dit werden, bij de meeste stammen, gaandeweg zelfgemaakte en later gefabriceerde bakstenen. Er werd ook uitgelegd waarom de oude, vervallen bouwsels steeds blijven staan. De oudere woningen worden niet afgebroken en opgeruimd om de aanwezige zielen van de voorouders die in die eerdere huizen gewoond hebben niet te verstoren... alweer een vraagstuk van ons, over het waarom er zoveel bouwsels op een stuk grond blijven staan, opgelost.
De vruchtbare streek heeft grote rijstvelden die goed geïrrigeerd kunnen worden door het vele rivierwater vanuit de riftvallei, die in de buurt ligt. Er worden diverse soorten rijst gekweekt in Tanzania, maar in deze regio wordt enkel witte rijst verbouwd. We reden tussen de rijstvelden en zagen vele boeren en boerinnen er hard werken, voor vaak magere inkomsten, werd ons verteld.
In de omgeving worden verder verschillende soorten groenten en fruit verbouwd. Deze wordt verkocht op verschillende marktplaatsen. We bezochten één markt, waar we uitleg kregen over verschillende zaken. We liepen er ook door de slagersgang. In heel Afrika (maar ook in andere warme landen) zagen we slagers al hun vleeswaar buiten hebben hangen. Het verschil met deze slagersgang was dat er geen stoffige weg langsliep en dat de prijzen vastgesteld waren. De klanten betaalden dus overal hetzelfde. Er werd ons bevestigd dat er geen koelcellen zijn voor het vlees. Onze gids zei dat het vlees er dagelijks volledig verkocht was en dat daardoor een koeling ook niet nodig was... tja... het vlees moet natuurlijk 'rijpen' alvorens het gegeten wordt...Na het marktbezoek fietsten we naar een bananenbierbrouwerij. Het bier werd op dezelfde manier als Ine een week eerder zag, gemaakt, maar was afgeschermd van de toeristen. Ook Johan kon nu het bier proeven. Onze gids legde uit dat het geen goed bier was omdat het, bij het maken, te veel rook opgenomen had... en inderdaad, hetgeen we te proven kregen, smaakte vooral naar rook. Onze gids vertelde nog het verschil tussen bananenbier en -wijn. In feite is het net hetzelfde, maar heeft de wijn een hoger alcoholpercentage, als wijn in plaats van als bier. Het is ook helderder en duurder.
Als afsluiter van onze fietstocht bezochten we nog een bananenplantage. Hier zagen we enkele soorten bananenbomen en hun bloei. Bizar eigenlijk hoeveel soorten bananen er zijn... en hoe weinig wij er maar kennen!
Nadat we hetgeen aten dat we op konden uit onze, opnieuw overvolle, lunchbox (en de overschot aan anderen weggaven) reden we richting onze volgende bestemming. Over een barslechte gravel-/steenslag-"weg" reden we drie uur tot we aan het Natronmeer aankwamen. Onderweg reden we de Grote Riftvallei in door een hoge heuvelrij over te rijden. Nadien werd de omgeving vulkanisch: er lagen veel vulkanische assen, oude lavavelden en oude en slapende vulkanen. We zagen ook verschillende windhozen ontstaan, voorbij kolken en weer 'oplossen'... bijzondere omgeving!Normaal gezien zouden we die nacht richting de top van vulkaan ol Doinyo Lengai, die we ook voorbijreden, wandelen. Deze vulkaan heeft aan de top een actief geothermisch veld met unieke lava. De lava die de vulkaan uitstoot heeft een hoog gehalte aan natrium- en kaliumcarbonaten. Daardoor is de temperatuur van de lava lager dan bij andere vulkanen, zo'n 500-600 graden Celsius (elders veelal 800-900 °C). In zonlicht lijkt deze lava een zwarte kleur te hebben in plaats van een rode. Ze is ook minder vloeibaar dan lava met veel silicaten... en dit was hetgeen, vooral Ine, persé wilde zien... maar gedurende wandeltochten die Ine tijdens haar week alleen deed, besefte ze dat ze te veel klachten, van o.a. hoogte, had om deze enorm steile berg van 2.960 meter te beklimmen. Tijdens de kennismaking met onze chauffeur Godsilent hadden we al doorgegeven deze tocht niet zouden gaan doen, maar andere activiteiten te willen gaan ondernemen.
... aan de oude lavavelden zag je trouwens dat die lava van de ol Doinyo Lengai anders is dan andere: het stollingsgesteente wordt carbonatiet genoemd. Nadat de lava gestold is, blijft deze niet zwart, maar kleurt ze grijs. Het lavagesteente verweert ook sneller dan bij andere vulkanen. Dit maakt dat de lavavelden veel 'gladder' zijn...Die bijna perfecte kegel ol Doinyo Lengai betekent, in het Maasai, "berg van God". De Maasai ziet de berg als heilige plaats, waar hun oppergod, Enkai, woont. Ze brengen er bijvoorbeeld offers voor deze god.
Alvorens naar onze lodge te rijden, maakten we kennis met onze plaatselijke gids. Hij zou ons, in plaats van het beklimmen van de vulkaan, 's anderendaags meenemen naar het Natronmeer, naar historische voetafdrukken en een waterval.
Onze lodge, voor één nacht, had zowel uitzicht op de ol Dionyo Lengai als op het zoute Natronmeer. Onze kamer was opnieuw vrij luxueus en groot met een grote badkamer. Omdat het echt wel erg warm was in deze regio gingen we eerst douchen. En terwijl Ine onder de douche stond, viel de stroom uit... en die bleef een hele poos weg... gelukkig was er een zaklamp om in het donker naar en van het restaurant te gaan.
