Onze chauffeur stopte, gaf ons onze tussendoortjes (die we steevast bij de fooi van de kamermeisjes achterlieten vanwege véél te veel eten op een dag) en reed verder. We hadden deze wandeling geen begeleider bij ons, maar we moesten gewoon de (slechte) weg door de heuvels volgen tot het volgende dorp. We deden onze regenjasjes nog aan, maar kregen geen regen meer. Maar met de frisse windvlagen was dit ineens ook een 'warme' oplossing.
De weg die we wandelden, kronkelde zich door de heuvels van het Dahargebergte. Dit maakte het nog interessant en mooi. Achter iedere heuveltop dook steeds weer een nieuw panorama op aan volgende heuvels en dalen. De begroeiing bleef identiek als dat we de dagen voordien al zagen.Op een gegeven moment zagen we de jeep warin we reisden staan op een van de verdere heuvels... maar die reed dan weer verder. En hetzelfde gebeurde toen we het dorp in zicht kregen... we werden dus toch nog in het oog gehouden ;-)
We kregen eerst maar een gedeelte van Zeraoua in zicht. Een bocht verder verbaasden we ons over hoe groot het dorp was! En ook verbaasden we er opnieuw over hoe goed het dorp gecamofleerd lag tegen de berg. Qua bouwstijl was het berberdorp weer anders dan de andere dorpen, eerder dan Toujiane waar we de dag voordien doorreden. De woningen waren groter en léken niet zo zeer in de berg gebouwd te zijn.
Na 7 km en z'n twee uur na vertrek kwamen we bij onze jeep aan, die ondertussen weer wat verder het dorp ingereden was. We stapten nog niet in want de chauffeur zou ons op het einde van het dorp treffen, zei hij. Pas nadat hij verteld had dat er nog maar één familie met hun kudde schapen en geiten in het vervallen dorp woonde, reed hij verder. We zagen in de vervallen huizen ook verschillende geiten, zo van die grote met lange oren en lange haren, staan en in andere huizen, waar wel nog een dak op zat, zagen we de hooivoorraad liggen. Ook zagen we in een ander deel van het grote dorp een herder met een kudde geiten en schapen aan de waterput.We kwamen al snel weer de jeep tegen. De chauffeur was stenen van de weg aan het gooien en aan het verleggen... Er was een woning ingestort en die was op de weg door het dorp terecht gekomen. Johan ging helpen. Na een tijdje vroeg Johan of een andere weg nemen geen mogelijkheid was. De chauffeur legde uit dat dit kon, maar dat over die wegen rijden veel langer zou duren omdat die slecht waren. Als hij over het ingestorte huis geraakte, zouden we een veel betere en snellere route naar Douz hebben... wat nog, via die route nog 100 km rijden was...
Met het 'herleggen' van de keien en de instructies van Johan slaagde chauffeur er in om over het ingestorte huis te rijden... Dit was al de tweede vakantie op rij dat Johan zulke wegenwerken en hulp moest bieden: In Zuid-Cyprus had hij dit ook voor Ine moeten doen toen we een kerk in de middle of nowhere gingen bezoeken (blogbericht).Enfin, we verkenden Zeraoua verder. Het was echt een groot dorp! Spijtig dat iedereen er weggetrokken is... maar begrijpelijk ook natuurlijk... maar zo verdwijnt, net als in al de andere dorpen in het Dahargebergte, toch ook veel van de cultuur van de Berbers.
Nadat we terug plaatsnamen in de auto, die enkel een klein deukje opgelopen had volgens de chauffeur, verlieten we stilletjesaan de bergen en lieten we de Berbers achter ons. In eerste instantie reden we nog over een barslechte, kronkelige weg, maar nadien kwamen we op een grote, geasfalteerde weg terecht. De chauffeur reed er goed op door en trok zich niks aan van de verkeersborden met 70 op...
We reden de meest zuidelijke provincie van Tunesië uit en reden naar het noordwesten. Gaandeweg veranderde het landschap : het werd steeds vlakker en zanderiger... en zo kwamen we aan in Douz. Deze stad in een grote oase wordt "de toegangspoort tot de Sahara" genoemd... en in feite is dat ook echt zo want in de wijde omgeving zijn er geen grote steden meer tot aan de grens met Libië en Algerije.We reden volledig door het centrum van Douz. Net als in alle plaatsen waar we doorreden, lag het er een beetje troosteloos bij aangezien alle horeca-zaken gesloten zijn vanwege Ramadan. We stopten, vlka buiten het centrum, aan het Sahara Museum. In het museum werden we rondgeleid door een gids. Hij gaf ons uitleg over de cultuur van de Tunesische Bedoeïenen en het leven in de Tunesische woestijn. We kregen uitleg over de verschillende Bedoeïenenstammen, de dromedarissen, geneeskrachtige kruiden uit de woestijn, traditionele klederdracht, de bedeïenetenten enz. Interessant!
Om half 12 had de chauffeur ons al gevraagd of we honger hadden, maar toen hadden we gezegd van niet. Na het museumbezoek hadden we eigenlijk ook geen honger, maar we moesten nog eten, vond de chauffeur. Dat deden we op het vertrekpunt van onze tocht naar de woestijn. Onderweg er heen waren we onze kok en dromedarisdrijver met twee dromedarissen al tegengekomen. Zij waren ook al onderweg naar de vertrekplaats. De kok bleek de broer van onze chauffeur te zijn...Tegen dat we opnieuw overvol eten zaten, kwamen onze wandelgidsen van de komende drie dagen en twee nachten er ook aan. De drommedarissen hadden allebei al veel op hun rug geladen. Onze rugzakken gingen er nog bij op. We namen afscheid van onze chauffeur, die nu anderhalve dag vrijaf had, en gingen op pad in onze mini-karavaan steeds verder de woestijn in.
Het was een flink tempo dat onze dromedarissen en begeleiders aanhielden! We konden maar net volgen in de soms 'diepe' zandduinen. Bij een eerste rustpauze, Ine zal een rood hoofd gehad hebben, vroegen de begeleiders of ze geen sjaal had. En ja, die had Ine, voor het geval ze moskeeën binnen zou gaan. Omdat Ine totaal niet wist hoe ze de sjaal over haar hoofd en mond moest doen, kreeg ze hulp. De sjaal was veel te kort, maar de heren slaagden er toch in om een Bedoeïene van Ine te maken. Dat was best warm, maar de zand werd zo wel minder in haar mond geblazen... en uit beleefdheid hield Ine de doek nog op haar hoofd. Drinken deden we steeds stiekem zodat onze begeleiders het niet zouden zien... zij mochten immers niet drinken... en met die waaiende zand en het knarsentanden daardoor moet dat heel vervelend geweest zijn!
Bij een tweede rustpauze bleek dat de heren onder de indruk van ons tempo waren! We hadden dus beter een beetje minder ons best gedaan om te volgen! Hahahaha... Ze gaven aan dat ze, na deze stop, nog maar een klein beetje zouden wandelen en dan op zoek zouden gaan naar een slaapplek.Na in totaal twee uur en 8 km wandelen in de winderige woestijn was er een plek gevonden voor de nacht. De dromedarissen werden bevrijd van hun balast. De dromedaris die als tweede gelopen had, werd bevrijd van zijn muilkorf. Er werd uitgelegd dat deze nog vrij jong was en de andere zou bijten als hij de muilkorf niet droeg. Op zich leek hij er geen last van te hebben. Hij kon natuurlijk onderweg, zoals de eerste wel steeds deed, niet grazen. Vooraleer de dromedarissen losgelaten werden, kregen ze een touw rond hun twee voorste poten gebonden. Op deze manier konden ze nog wel langzaam rondstappen, maar konden ze niet weglopen. Tot vlak voor het avondeten konden de dieren zo grazen en hun eigen plan trekken, dan werden ze gehaald en gingen ze rusten.
Ondertussen zetten we ons iglotentje op en terwijl de heren aan de voorbereidingen van het avondeten startten, eerst door droge takken te gaan sprokkelen, richtte Ine de tent in. We hadden ieders een dikke mat gekregen en vier dikke, zware dekens. Die hadden ook op de dromedarissen gelegen en zaten dus onder het zand doordat het zo waaide... meteen lag er dus overal zand. Zelf hadden we, gelukkig, dunne thermische slaapzakjes bij. Dat maakte dat we toch niet rechtstreeks tussen die dekens met zand lagen.
Toen Ine zich bij de anderen voegde, stond al een soepje te pruttelen op een vuurtje en gingen de groenten en het lamsvlees er in een stoompot bovenop. Terwijl Johan gevraagd werd het vuur gaande te houden, werd nog meer hout gesprokkeld en werden de dromedarissen teruggehaald. De touw rond hun voorpoten werd strakker aangespannen, ze gingen zitten en bleven zitten... na eventjes ;-)Om 18:31 uur was de zon onder en was het iftar. Onze begeleiders waren zo gelukkig als kleine kinderen dat ze konden eten! Ze startten met (een oneven aantal) dadels en karnemelk met water. Ook wij deden mee. Daarna gingen ze verder met koken, wat vanwege de primitieve omstandigheden en het slechts éne vuurtje in episodes ging... alhoewel... terwijl de kok bezig was met het verder bereiden van het hoofdgerecht en nadien het voorgerecht, maakte de dromedarisbegeleider / kokhulpje het deeg voor het brood klaar. We hadden tijdens onze reis al gehoord over het "pain de sable", het zandbrood, maar zagen het nu echt: het deeg werd op een handdoek over een hoopje zand gelegd om het rond van vorm te maken maar door er ook een bolle/holle kant aan te maken. Er werden houtskooltjes van onder het kookvuur plat verspreid over het zand en daar werd het deeg opgelegd. Het deeg werd vervolgens ook bedekt met deze houtskooltjes. De warmte van het zand en de kooltjes maakte vervolgens dat het brood bakte. Door op het brood te tikken, hoorden ze of het al goed genoeg gebakken was om het brood om te draaien. Ook na het draaien gingen er weer warme houtskooltjes op het brood. Toen het brood overal "goed klonk" als er op getikt werd, werden de kooltjes en het zand er afgeklopt en was het brood klaar!
Ondertussen was de kok bezig geweest met de voorbereidingen voor het maken van ieders een "brik". Hiervoor had hij olie in een koekenpan gedaan en op het vuur gezet en een papje gemaakt van eieren, peterselie, een blikje tonijn, harissa en een gekookte aardappel. Een blad filodeeg plooide hij half en vervolgens in drie om middenin het 'papje' te doen. Dit legde hij in de hete olie en hij duwde de kantjes van het pakketje in de pan aan... heel eenvoudig en héél lekker... maar veel werk!
Nadat we onze brik en brood ophadden, was het tijd voor de soep en de hoofdmaaltijd, de gestoomde groenten, aardappelen en het lams... bwôôhhh, lekker maar veel!
Al snel na het eten, gingen we in onze tent lezen en slapen... wat een dag!









