Op 8 oktober '26, onze 20e reisdag in Tanzania, stonden het bezoek aan twee stammen op het programma. Toen we onze reiswensen i.v.m. Tanzania waren gaan bespreken, hadden we aangegeven dat we geen stammen wilden gaan bezoeken. We werden toen eigenlijk omgepraat doordat beloofd werd dat de manier waarop deze bezoeken zouden verlopen helemaal anders zouden zijn dan anders. Onze twijfels bleven. Eerder hebben we er, in Gambia en Namibië, slechte ervaringen mee gehad: in Gambia was het puur geldgewin, in Namibië voelde het als een mensenzoo…

Onze ervaring met de eerste stam van de dag, de Hadzabe, was mogelijk nog erger dan eerdere! In onze reisbeschrijving staat dat we met de Hadzabe-mannen op jacht zouden gaan. De stam is nomadisch en leeft van de jacht, honing en fruit dat ze vinden. De Hadzabe staan bekend als een van de laatste nog bestaande jager-verzamelaarsgemeenschappen in Afrika. Ze blijven ongeveer drie weken op dezelfde plek en trekken dan, in hetzelfde gebied, verder. Ze maken geen woningen, maar zoeken beschutting onder struiken om te slapen. In het regenseizoen slapen ze onder rotsen en in uitgeholde baobabbomen. Er zouden momenteel nog zo'n 700 à 800 Hadzabe zijn. Degenen die nog nomadisch leven, leven in kleine familiegemeenschappen van 20-25. Hun levensverwachting is erg laag, maar zo'n 33 jaar.
We verwachtten dus volwassenen om mee op jacht te gaan. We hebben in hun kamp enkel, heel kort, één volwassen man en drie volwassen vrouwen gezien. De rest wordt er uitgevoerd door de kinderen! De kinderen staan er in voor het 'onthaal' van de toeristen, het tonen van hoe ze op jacht gaan en hoe dansen is in hun cultuur. En naast ons zagen we dat er nog verschillende jeeps met toeristen waren en aankwamen... we hebben hierover al ons beklag gedaan bij onze Tanzaniaanse en Vlaamse reisorganisatie... die beloofd hebben actie te ondernemen...
Nadat we uitleg kregen over alle verschillende pijlen ze mee op jacht nemen, waren we op weg, op jacht: twee +/- 14 à 15-jarigen, een +/- 10-jarige, lokale gids Samuel, onze chauffeur Godsilent en wij... Doordat die kinderen, Samuel en Johan er dusdanig snel van door gingen, konden we samen niet overleggen... maar beiden hadden we hetzelfde gevoel... : Het zijn kinderen!
Ine sprak onderweg met Godsilent over de leeftijd van de kinderen, maar omdat de Hadzabe niet aan 'verjaardagen' doen, blijft het een schatting. Ine vroeg of de kinderen niet naar school gingen. Het was immers donderdagochtend. Dat bleek niet het geval. Bij de Hadzabe gaat geen enkel kind naar school, zei Samuel aan Godsilent. Samuel zei dat dit niet mogelijk was vanwege de nomadische levensstijl... wat we quatsch vinden omdat de Maasaikinderen, ook nomadisch, wél naar school gaan... Ine haar kritische vragen aan Godsilent deed hem beseffen dat de kinderen heel wat geholpen zouden zijn als ze, naast hun kliktaal die eigen aan hun stam is, ook Swahili zouden spreken, de gemeenschappelijke taal tussen alle verschillende Tanzaniaanse stammen. Onderwijs is het recht van ieder kind én er is leerplicht in Tanzania!
Met het toelaten van toeristen zijn de Hadzabe tientallen jaren geleden begonnen onder het mom van het laten kennismaken met hun cultuur en deze te bewaren... wat prima is... maar nu laten ze hun kinderen voor hen werken!? Laat die mannen dat tonen! en de kinderen naar school gaan! Hetgeen die kinderen ons lieten zien, lijkt waarschijnlijk niets meer op hun cultuur!
Vooral het feit dat we ons al in een heel andere, erg primitieve, cultuur dan de onze bevonden en we sowieso sterke principes hebben over kinderarbeid, uitbuiting ed. maakte het moeilijk... eigenlijk wilden we meteen met de activiteit stoppen... maar alle aanwezigen hadden er nog nooit op deze manier over nagedacht. Godsilent kregen we aan het denken, maar Samuel sprak te weinig Engels en was (doordat hij half-Hadzabe is) te verweven met de gang van zaken... en die kinderen hadden honger...
Tijdens de drie uur dat we met de kinderen op jacht waren, waren de kinderen heel serieus bezig met het vinden van vogeltjes om dood te schieten, als ontbijt. Toen ze eekhoorns vonden, begon de pret: de jongens leken ineens gewone kinderen die wat eekhoorns volgden in verschillende struiken en bomen. Ook Samuel en Godsilent gingen meedoen om de eekhoorns een bepaalde richting uit te sturen door er stenen naar te gooien... dolle pret... en wij wilden dat het zo snel mogelijk eindigde...
De kinderen slaagden er in om een tiental vogeltjes en twee eekhoorns aan hun pijl te rijgen... niet altijd even dood zoals wij gewild hadden... Trots werden de diertjes getoond en werd, in de kliktaal, verteld hoe de vangst ging. Eén jongere was heel goed in het levendig beschrijven van alles, best grappig en vreemd genoeg begreep je steeds wat hij vertelde.
Het was daarna tijd om terug te wandelen en onderweg een vuurtje te maken, de beestjes te ontdoen van hun pluimen en vacht en ze te bakken in een open vuurtje dat ze, met droge gevonden uitwerpselen en dorre takjes en bladeren, zelf maakten door wrijving met een stok. De staarten van de eekhoorns werden aan hun omgeslagen bavianenvel gehangen als trofee en ze smikkelden hongerig van de diertjes... en neen, we hebben niet geproefd... Samuel wilde persé dat er nog filmpjes en foto's gemaakt werden, waarna we verder wandelden. Onderweg wandelden we langs woningen en erven van de Datoga- en Iraqw stam, die wel een vaste woonplek hebben. De Hadzabe hebben contact met de andere stammen doordat ze, van de Datoga, pijlpunten kopen of ruilen met vlees. Hun kleding en schoenen kopen ze ook van deze andere stammen... we hopen dan ook dat daar onze fooi heen zal gaan...
Toen we terug in hun kamp waren, moest Johan nog even zijn pijl-en-boog-kunsten laten zien... die natuurlijk niet goed waren ;-) en werd er een soort van rondedansje gemaakt met alle aanwezige kinderen. We kregen een rondleiding in het kamp en zagen waar gekookt en geslapen werd... en dan namen we afscheid.
De volgende plek waar we stopten, bracht ons bij de Datogastam. De Datoga is een erg oude stam uit de omgeving van het Eyasimeer met weinig historische inmenging vanuit andere stammen. Voor de Maasai zijn het lang hun 'gerespecteerde vijanden' geweest. De stam is steeds uit de handen van de kolonisatie weten te blijven, wordt gezegd. Momenteel zijn ze nog met meer dan 80.000 en hebben ze hun semi-nomadische leefstijl opgegeven.
De Datoga zijn een herdersvolk en hecht een enorme culturele waarde aan runderen. Binnen de Datoga bestaan kuddes uit geiten, schapen en ezels, maar runderen zijn veruit het belangrijkste huisdier. Het vlees, vet, bloed, de melk, huid, hoorns, pezen en mest van elk dier hebben praktische of rituele functies. Daarnaast leven ze van landbouw, smeden, handel op markten en tegenwoordig ook van loonarbeid.
Datogavrouwen dragen vaak karakteristieke roodbruin gekleurde lederen kleding (vaak van geitenleer), opvallende koperen sieraden, hebben grote gaten in hun oorlellen en ouderen hebben vaak nog ronde litteken-tatoeages rond hun ogen... maar tegenwoordig worden er ook gewone, kleurige stoffen gedragen over 'gewone' kleding. Een traditioneel geitenlederen vel met pareltjes wordt wel nog steeds omgebonden door de dames als teken van hun cultuur.
Gelukkig was er, bij de smederij die we bezochten, een gids van een ander koppel die wel goed Engels sprak en ons uitlegde hoe de Datoga te werk gaan bij het smeden. De Datoga staan bekend als bekwame traditionele smeden die schroot omvormen en omsmelten tot speerpunten, pijlen en sieraden. Er werd ons getoond hoe van een grote kepernagel, door er op te blijven kloppen, een speerpunt met weerhaken gemaakt wordt. De Hadzabe gebruiken deze bijvoorbeeld om op bavianen te jagen. Deze dieren zijn, zonder die weerhaken, immers moeilijk te bejagen omdat ze slim zijn om een gewone speer gewoon uit te trekken en verder te lopen, zonder veel lichamelijke schade.
Verder werd getoond hoe oud-ijzer en koperafval (bv. van waterleidingen) weer gesmolten wordt en er bijvoorbeeld armbanden van gemaakt worden... en dat allemaal zonder machines of elektriciteit...
Door verschillende Datogavrouwen werd ons getoond hoe zij, traditioneel, leefden. Hun woningen worden, zoals bij vele stammen, gemaakt van houten takken en klei.
Ook worden er 'gebouwen' zonder die klei, dus enkel met takken, gemaakt om bijeenkomsten in te houden. Dan wordt er ook een dak op gemaakt. Om de dieren in onder te brengen, dus als stal, komt er niet altijd een dak op. Rondom deze verschillende woningen worden taken met doornen gelegd om indringers buiten te houden.
De woning die wij te zien kregen, had twee vertrekken. In één kamer wordt gekookt en geslapen. Slapen doet men op dierenvellen, ofwel op de grond gelegd, ofwel op een primitief bed. De andere kamer kan ook dienen als slaapkamer, maar wordt overdag ook gebruikt door de vrouwen om in te leven, maïs te vermalen tot polentameel enz. Ditmaal mocht Ine laten zien wat ze kon... en die maïs met een zware steen op een andere steen vermalen, was nog zo gemakkelijk niet... zeker niet omdat ze hiervoor op de grond en op haar knieën moest zitten. Tijdens Ine haar werk zongen de dames om het ritme te houden en het werk wat minder saai te maken... Ine kon het ritme niet echt houden... maar de dames bedankten haar hartelijk...
... en de kinderen!? die waren naar school!
We bezochten de Iraqwstam niet, maar we kwamen ze wel regelmatig tegen in die regio van het Eyasimeer. We kwamen ze onderweg tegen terwijl ze, met (o.a.) grote tonnen op een koets, getrokken door ezels of koeien, water gingen halen. En wandelden langs hun woning tijdens 'onze' jacht.
We vonden, op internet want aan die Samuel kon je niks vragen en die zei uit zichzelf niks, dat ze met zo'n 600.000 zijn. Ze combineren veeteelt en akkerbouw om voor hun zelfonderhoud te zorgen. Ze verbouwen maïs, bonen, gierst en tarwe, en houden runderen, geiten en schapen. Ze verkopen hun oogst of dieren echter alleen als dat strikt noodzakelijk is. De Iraqw gebruiken nog steeds historische landbouwpraktijken en vertrouwen op inheemse kennissystemen voor landbouw en geneeskunde. Ze maken ook nog steeds gebruik van oude irrigatiesystemen die hun landbouw succesvol maakt.
Hun koeien, kippen, schapen en geiten trainen ze tot gehoorzaamheid. Ze hebben er een groot scala van speciale woorden, klanken en 'kliks' voor.
Ze zouden bekend staan om hun statige, roerloze houding en scherp afgetekende gelaatstrekken. Het zou een teruggetrokken volk zijn. De woningen die wij van hen zagen, leken op die van de Datoga: van takken en klei gemaakte huizen. We lazen dat hun woningen echter, traditioneel, ondergronds of half-ondergrondse liggen en dat ze gebruik maken van tunnels...
Na de bezoeken aan de Hadzabe en Datoga was het tijd voor de lunch. Hiervoor werden we terug naar onze lodge gebracht. Tot 16u, totdat de grootste warmte voorbij was, bleven we daar.
Nadien reed onze chauffeur ons en Samuel naar de velden in de omgeving. De regio staat bekend om zijn (rode) uienteelt. Door de warmte en de mogelijkheid tot goede irrigatie van de velden groeien er veel, goede, pittige en lang bewarende donkerrode uien. Er zijn enkele grootgrondbezitters die velen uit de regio, van verschillende stammen, op die manier aan een inkomen helpen. Het werk is zwaar omdat alles handenarbeid is. De meeste uien worden naar Kenia uitgevoerd. Er werd ons uitgelegd dat momenteel de prijs van de uien erg laag was. Om deze reden, werden de uien die niet voor Kenia bestemd waren, verder gedroogd en opgeslagen tot de prijs hoger wordt. We liepen wat over het veld waar Samuel opnieuw geen uitleg uit zichzelf gaf of enig idee had wat hij er precies wilde doen...
Eerder toevallig reden we voorbij bomen waaronder veel bijenkasten hingen. Deze zien er heel anders uit dan in Europa had Ine tijdens haar eerste week in Tanzania al gezien: in uitgeholde stukken boomstam of langwerpige houten bakjes gaan wilde bijen zich nestelen en voor honing zorgen...
die worden overigens vaak ook gehangen vlak buiten dorpen om bijen te krijgen en zo olifanten uit dorpen te houden omdat ze bang zijn van bijen...
Vervolgens reden we naar het zouten Eyasimeer. Aangezien we er op het einde van het droogseizoen waren, was er al veel van het meer opgedroogd. We reden met de jeep, over de achtergebleven zoutplaten naar de oever. Eens aan die oever zagen we goed dat het meer deels omgeven is door de steile wanden van de Grote Slenk en de kraters van natuurgebied Ngorongoro.
"Gids" Samuel wist eigenlijk niet goed wat hij daar aan dat meer verder moest doen... Toen we, vanop afstand, naar een aantal vissers stonden te kijken, besloot hij er naar toe te wandelen. Van op een soort pier haalden vissers net hun netten op. Ze lieten zien wat ze gevangen hadden: twee soorten erg kleine visjes... magere vangst... De vissers hadden een soort tentenkamp opgebouwd nu het meer zo ver weggetrokken was van de oorspronkelijke oever...
Er stond continu een stevige wind over de grote vlakte. Het moet een zwaar leven zijn als visser, zéker in droge tijden. Er zou dit jaar een extreme el niño aankomen. Dit betekent ook hier veel meer regen dan normaal met overstromingen als gevolg.
Vervolgens reden we terug naar onze lodge en waren we blij dat we afscheid konden nemen van Samuel...