15 maart 2023

Dag 4 IJslandreis 2023

Dinsdag 7 maart '23 was onze vierde dag op IJsland, de tweede na aankomst op schiereiland Snæfellsnes. We hadden opnieuw een goed gevulde dag gepland. Er wordt ook gezegd dat dit schiereiland alles te bieden heeft wat in heel IJsland ook te zien is. 

We reden eerst de mooie onverharde weg n° 558 door het lavaveld Berserkjahraun (foto 1). We hadden geluk dat de ondergrond steenhard bevroren was, anders was de weg één en al plakkerige modder geweest... dan hadden we'm waarschijnlijk niet gereden, ookal was onze Mitsubishi Eclipse Cross een 4x4.
Omdat het nog een ‘jong’ lavaveld is, heeft het allerlei grillige vormen en wordt nog eens extra betoverend door de kleur- en textuurcontrasten van het gesteente en het dikke mos. 

Berserkjahraun betekent lavaveld van de ‘berserker’, wat ‘Noorse strijder’ betekent. Het lavaveld is vernoemd naar een berucht incident dat dateert uit de late 10e eeuw en wordt verteld in de Eyrbyggja saga: Een boer had aan twee berserker-slaven gevraagd een pad te maken door het lavaveld naar zijn boerderij Bjarnarhöfn. In ruil voor deze immense klus, zou één van hen met zijn dochter mogen trouwen. Toen ze eenmaal klaar waren met hun taak, sloot de boer ze op in een gloeiend hete sauna en doorboorde ze met zijn zwaard toen ze probeerden te ontsnappen. Een pad door het lavaveld is nog steeds zichtbaar en in de 19e werden twee mannelijke skeletten gevonden, gemiddeld van lengte maar krachtig gebouwd...

Van de veel gefotografeerde berg Kirkjufell maakten we enkele foto's, maar aangezien we deze berg ook al vaak gefotografeerd hebben, bleven we er niet al te lang. De bewolking gaf de berg en omgeving ditmaal ook geen "extra's". 

Weg n° 570, een weg dwars door het schiereiland via de voet van de Snæfellsjökull, was afgesloten wegens te winterse toestanden. We namen daarom de n° 54, die ook van noord naar zuid gaat. De route was érg mooi: heel winters, met veel sneeuw en ijs, gelukkig lángs de weg. Het leek alsof we even in zwart-wit zagen. Enkel de bevroren meertjes gaven een klein beetje een blauwige schijn af. We gingen ook even de auto uit voor foto's, omdat het zo mooi was, maar OMG het was koud! Wat een pijnlijke wind! Het was, zoals elders, -7°C, maar waar de gevoelstemperatuur lag? Geen idee.

We reden vervolgens terug naar het zuidwestelijke puntje van Snæfellsnes, naar waar we de dag voordien "gebleven" waren met onze verkenning. We reden richting de vuurtoren Malarrif. Die lieten we wel voor wat hij was, die vonden we niet zo interessant. Wij waren er gestopt voor de basalten rotsen "Lóndrangar" (foto 2). Het was een eindje wandelen tegen wind op.

Lóndrangar zijn twee stenen zuilen van 75 meter en 61 meter hoog die aan de kust staan. De zuilen zijn een overblijfsel van een vulkaan die grotendeels is weggeërodeerd.
De boeren uit dit gebied hebben nog nooit gehooid op de heuvel bij Lóndrangar. Er wordt beweerd dat hier elfen (huldufólk) leven en die mogen niet gestoord worden.

Vervolgens reden we naar Arnarstapi. Zowel deze plaats als Lóndrangar bezochten we in 2007 niet. Het weer was toen zo barslecht dat we deze plaatsen oversloegen. Jammer eigenlijk, bleek nu, maar dan hadden we nu wel weer iets 'nieuws' om te zien... en zoeken. Ine wist bijvoorbeeld waarvoor ze naar Arnarstapi wilde, maar ze wist niet hoe ze aan de basalten rotsen voor de kust moest geraken. De rotsen waren immers niet vanuit het dorp te zien. Door dan maar zo dicht mogelijk bij de zee te rijden, te parkeren en te zoeken, hadden we de vele rotsen meteen gevonden!

Er is een heel wandelpad aangelegd op de kliffen van Arnarstapi tot het volgende dorpje Hellnar. Voor die kliffen, vlak in zee, liggen verschillende enorme basalten rotsen. We besloten om niet heel de anderhalve kilometer (enkel) van het pad te doen: het was echt te koud, érg winderig en de rukwinden maakten het soms erg gevaarlijk op dat pad. Je werd dan steeds verrast en richting zee geblazen.
Bij de 'bekende' Gatklettur, een boog (foto 2), keerden we weer terug... en waren we blij dat we weer even in onze warme auto zaten.

Bij de kloof Rauðfeldsgjá stapte enkel Johan uit. Ine bleef in de auto zitten. De wandeling naar de kloof was niet zo heel ver, maar best steil... en dat in die felle wind... Ine warmde liever nog wat op in de warme auto.
Rauðfeldsgjá is een diepe, hoge en smalle kloof en ravijn. In een saga uit de vroege 14e eeuw wordt verteld over deze kloof: Er werden twee jonge broers van boven van het ravijn geduwd nadat één van hen een meisje op een ijsrots geduwd had (en deze tot Groenland dreef).

Een volgende stop was eigenlijk gewoon een fotostop bij, volgens Ine, het mooiste kerkje van IJsland: BúðakirkjaDeze kerk is zwart omdat de buitenzijde van het hout is geschilderd met pek net als de romp van een boot. Dit om het te beschermen tegen de harde IJslandse elementen. Het huidige kerkje is gebouwd in 1847 en gerenoveerd in 1985-1986.
In de buurt van dit kerkje zou ook een perfect uitkijkpunt zijn om de Snæfellsjökull te zien... maar met de gedeeltelijke bewolking van die dag, was de gletsjer minder goed te zien dan de dag voordien.

In het dorpje Ölkelda stopten we voor hetgeen waarnaar het dorpje genoemd is: opborrelende bron. Er ontspringt namelijk een koolzuurhoudende minerale bron. Het water werd gecontroleerd op mineralen en drinkbaarheid. Toen het goedgekeurd werd als bronwater, en dus drinkbaar bleek, werd de bron voorzien van een kraan. Ine wilde haar drinkfles er gaan vullen... maar had er niet bij nagedacht dat de kraan natuurlijk bevroren zou zijn... toch ging het bronnetje natuurlijk wel gewoon door met opborrelen, dus heeft ze een beetje water rechtstreeks uit het opborrelende water 'opgeschept'. Het water smaakte heel erg naar ijzer, maar dat was te verwachten gezien de rode kleur van het bezinksel (foto 3/links).




Een volgende stopplaats was ook naar een koolzuurhoudende minerale bron. Snæfellsnes is vrijwel het enige deel van IJsland waar mineraalwaterbronnen voorkomen. De Rauðamelsölkelda, de volgende waar we heen gingen (foto 4/rechts) is de grootste daarvan. Deze bron lag wel niet zo dicht bij de bewoonde wereld als Ölkelda (maar die bron was natuurlijk eerst en dan pas die bewoonde wereld). We moesten hiervoor een eindje over een onverharde weg rijden en nadien nog een wandelingetje maken door een mossig lavaveldje... brrr... koud...
Ook de Rauðamelsölkelda was bevroren. Wat wel grappig was, was dat er grote bellen bevroren waren. En onder die bevroren bellen zag je de bron nog gewoon doorbroebelen... Bijzonder!

Op de terugweg van de Rauðamelsölkelda stopten we nog bij de basaltrij Gerðuberg. Op een plateau van 500 meter lang staat er de ene basalten kolom na de andere. Zo één pilaar is 12 à 14 meter hoog... ALTIJD mooi, die basaltkolommen! Dat de natuur toch zulke mooie dingen maakt!
Basaltkolommen zijn vaak te zien als lange pilaren/zuilen, een soort solide orgelpijpen van basalt. Ze zijn vijf- à zeshoekig. Ze ontstaan in vloeibare lava die afkoelt. Er ontstaan dan krimpscheuren van buiten naar binnen. Meestal ontstaan ze in dikke lagen lava en geleidelijk vormen de barsten de kolommen. Brede kolommen ontstaan bij langzame stolling en smalle in snel afkoelende lava. Wat wij zien als de basaltkolommen is wat is overgebleven na langdurige verwering en erosie. Het grootste gedeelte van de lavaheuvel is verdwenen.

Die dinsdagavond gingen we uiteten in Stykkishólmur. Het restaurant lag in een oude woning waarvan aan de buitenkant niet te zien was dat er zich een restaurant in bevond. We aten heerlijk! Met de twee hoofdgerechten en de koffies nadien waren we € 100 kwijt...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten