Het schiereiland Reykjanes hebben we al vaker verkend. Toch waren er nog plaatsen waar we niet geweest waren. Bepaalde locaties waren voordien afgesloten voor publiek, vonden we niet of skipten we eerder.
Onze laatste volledige dag, 11 maart 2023, werd de koudste dag van onze reis, - 10°C (en 's nachts en bij vertrek naar de luchthaven de ochtend nadien - 11°). Die koude wind stond er weer, maar gelukkig was die iets milder dan sommige andere dagen.
We reden vanuit
Grindavík kloksgewijs het schiereiland rond. Onze eerste stopplaats was eerder steeds "afgesloten" (lees: afgezet voor publiek; het grotendeel van de plaatsen op IJsland is gratis te bezichtigen). Dit was
Brimketill (foto 1). "Brimketill" betekent witte ketel. Dit is de nieuwe naam van dit natuurlijk ontstaan "badje". Het werd Oddnýjarlaug genoemd, naar de trollin Oddný. Zij kwam er baden en haar kleren wassen. Om die reden ontweken IJslanders de plaats 's nachts. Overdag verstenen trollen, dus was de plek wel veilig...
Buiten dat het steeds ijskoud zeewater is dat in het badje zit, is de zee er erg onstuimig en wordt gewaarschuwd niet in het badje te gaan...
De kliffen waren serieus bevroren hier, wat ze erg mooi maakte: wit en lichtblauw ijs, blauwe zee en zwarte lava.
Een volgende plek die we bezochten, bezochten we al vaker, namelijk Gunnuhver. Dit is de grootste warme bron van IJsland. Ze is erg onstuimig en spuit ook regelmatig als een geiser. Het verhaal gaat dat Gunna zich in de bron bevindt. Nadat Gunna stierf, spookte ze in de streek waardoor verschillende mensen stierven en er vanalles misliep uit wraak die Gunna nam op mensen die haar tijdens het leven iets verkeerd deden. Omdat de burgers dit beu waren, verzonnen ze een list om Gunna in de warme bron te krijgen. Dit lukte, waardoor Gunna nu gevangen zit in de bron.
Het geothermisch veld rondom Gunnuvher leek ons twee jaar geleden al 'dood'. Ook nu, waarbij alle stoom door de koude goed zichtbaar is, was geen teken van activiteit te zien in het geothermisch veld.
Nadien reden we een klein stukje verder en stopten we bij Valahnúkur (foto 2), een locatie die eerder steeds afgesloten was. Valahnúkur is in feite méér dan op de foto, de berg voor de kust hoort er ook bij. Die berg en de rotsen in zee zijn van tufsteen en breccie, dus weer iets anders dan basalt blijkbaar. Onder water zit kussenlava. Een beetje verder dan deze rotsen ligt de 52 meter hoge rots Karlinn, "de oude man". Doordat het helder weer was, konden we het kleine vogeleiland Eldey, op 14 km van de kust, zien liggen.
Bij 'de brug tussen continenten' stopten we even. Na het dorpje Hafnir reden we nog verder Reykjanes rond in plaats van het meest noordelijke topje van het schiereiland over te slaan.
De Hvalsneskirkja bleek ook een mooi, zelfs schattig, kerkje te zijn: Het is van zwarte baksteen en het torentje van kleurig beschilderd hout. Het is van 1886 en, zoals de meeste IJslandse kerken, luthers. Het staat op een heuveltje en kijkt uit over een grote lavavlakte en de zee... het staat dus pal in de wind.
We reden vervolgens helemaal tot het noordeijkste topje van Reykjanes. Daar staan twee vuurtorens. De oudste en mooiste, met witte en rode strepen is Garðskagi. Met zicht op zee, in de auto dus uit de wind, aten we onze boterhammen op bij een lekker warme tas soep/koffie/thee... ah ja, de thermos warm water gaat overal met ons mee in IJsland!
Het duurde dan weer tot in Vogar vooraleer we de 'grote' baan afreden. We stopten daar eerst aan nog maar eens een kerkje,
Kálfatjörn. Nadien stopten we, eigenlijk aan de overkant van het kerkweggetje, bleek, aan de parkeerplaats voor
Staðarborg (foto 3).
Staðarborg hadden we voordien al een keer gezocht, enfin de weg er heen, maar blijkbaar moesten we aan de andere kant zijn... en dan moesten we vanuit de parkeerplaats, over oneffen bemost lavaveld, anderhalve kilometer wandelen. Om ons de weg te wijzen, waren er 'stenen mannetjes', zoals vroeger gedaan werd, geplaatst. Er was nog geen duidelijk pas naar deze plek gevormd.
Staðarborg is een eeuwen oude schaapsstal. De muren zijn zorgvuldig van platte lavabrokken gestapeld tot 2 meter hoog. De doorsnede is 8 meter en omtrek 35 meter. Er doet een verhaal de ronde dat de stal nooit afgemaakt werd (geen dak kreeg) omdat een priester dit verboden had uit schrik dat de stal groter en hoger zou worden dan zijn kerk.
Vervolgens reden we nog eens langs
Kleifarvatn en
Seltún/Krysuvík (foto 4). Kleifarvatn hebben we de afgelopen keren altijd gezien als een groot zwart meer. Nu met de winterkoude en blauwe hemel zag het helemaal blauw: heel vreemd! De hele mystiek rond het meer was plots weg! Het geothermisch veld Seltún is altijd interessant! Nu was er, anders als bij onze vorige bezoeken, vooral veel ijs en 'sneeuw' te zien daar waar de waterdamp bevroren neerviel... echt bizar bij al dat gebroebel van kokend water en modder! Gezellig even blijven rondhangen, was er wel niet bij ditmaal: het was ijskoud, zowel bij Kleifarvatn als Seltún.
Wat ons wel al opgevallen was bij alle geothermische plaatsen waar we deze vakantie geweest waren: in koude temperaturen ruikt zwavel minder hard... maar daar waar Ine in 2007 nog veel moest kokhalzen van deze geur, zijn we'm al lang helemaal gewoon ;-)
Bij het bordje
Selatangar (foto 5) waren we al vaak voorbij gereden aangezien het in de buurt van de recente vulkaanuitbarstingen ligt. We waren er echter nog nooit heen gereden. Toen Ine de route voor deze reis uitstippelde vond ze dat dat eens tijd werd.
Selatangar was ooit een groot vissersdorp tussen een oud lavaveld vlak voor de kust. Ergens in het begin van de 14e eeuw ontstond het dorp en rond 1880 werd het verlaten.
Toen industrialiseerde IJsland en was er ook ander werk te vinden dan enkel vissen. De plaats zou vroeger, maar nog steeds, geplaagd worden door de geest Tanga Tómas. Wij zijn'm daar in ieder geval niet tegen gekomen.
Op dit moment zijn er nog maar acht gebouwen deels overgebleven. Net zoals Staðarborg zijn de gebouwen opgebouwd uit platte lavabrokken. Er stonden
langhuizen als woningen met vele bijgebouwen voor het opslaan van vis en ander voedsel, voor het vee, werkhuizen enz. Ook gebruikten ze grotten die in het lavaveld gevormd werden.
Het moet er indrukwekkend uitgezien hebben. De leefomstandigheden in zulke vissersdorpen moeten wel verschrikkelijk hard geweest zijn! Niet alleen de constante koude zeewind, maar ook het moeilijk kweken van gewassen voor mens en dier tussen die lava en in die weersomstandigheden, er is maar weinig drinkbaar water in de buurt, er werd gevist met roeibootjes op een dergelijke ruwe, maar wel visrijke, zee, er was (logisch) geen elektriciteit enz.
Het was een erg interessante stopplaats. In de winter van 2016 bezochten we ook een voormalig vissersdorp in Reykjanes, maar dat was lang zo goed niet bewaard om er een voorstelling van te maken.
Tijdens onze laatste avond gingen we opnieuw uit eten. Ditmaal was het ook lekker, ook duur, maar lang zo verfijnd niet als in de vorige zaken waar we aten. In Grindavík zijn veel eetzaakjes, maar het zijn voornamelijk pizzeria's en fastfood-zaakjes...
We maakten de koffers en zetten de wekker om 03:45 uur... om vervolgens op zondagochtend, Johans 50e verjaardag, in - 11° te vertrekken naar de luchthaven... en zo zat weer een mooie reis in IJsland er op...
We reden (lees: "Ine reed") deze reis 1978 km in de Mitsubishi Eclipse Cross, Plug-in-hybride (maar de laadkabel was er niet bij) met automatische versnellingen.
Wanneer we onze tiende keer naar IJsland gaan, moeten we nog eens bekijken... één ding is zéker: we gaan nog eens terug voor sneeuw en noorderlicht!
...en dat noorderlicht is de afgelopen dagen héél actief geweest :'-( Tja, pech...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten