29 juni 2022

Noord-IJsland

Op de eerste dag van de zomer, 21 juni, bleven we nog wat in het noorden van IJsland rondneuzen. Guesthouse Eldá was de enige overnachtingsplek waar we twee nachten zouden verblijven... gewoon omdat er zó veel te zien is rondom Mývatn!

We startten onze dag vlak voorbij de bergpas Námaskarð bij Hverir (foto 1). Dit is een geothermisch veld met veel solfataren en fumarolen... in allerhande kleuren. De ondergrond van het gebied is oranjekleurig. De andere kleuren zijn (o.a.) wit, geel, bruin, zwart, grijs en blauw. De kleuren zijn afhankelijk van de weersomstandigheden: zon maakt alles lichter en regen maakt als donkerder van kleur... en de enorme hoeveelheid stoom die er steeds hangt, maakt óf je iets ziet of niet ;o) De ondergrond is plakkerige klei, waar niks op groeit... je hoort steeds de fluitketelachtige geluiden van de bronnen en de gierende wind over de vlakte... en het ruikt er naar zwavel (rotte eieren)... een deel van de rottigheid van de aarde komt er omhoog... Wij vinden dit geweldig! Het fascineert ons enorm.

Na Hverir reden we een stukje verder naar vulkaan Krafla. Onderweg daarheen passeer je de grootste aardwarmtekrachtcentrale van IJsland, Krafla geothermal power station. Bij het aanboren van de 33 pijpleidingen zijn twee uitbarstingen van de vulkaan op gang gebracht, namelijk in 1975 en 1984. Deze creëerden een 7,5 km lange scheur waardoor een groot lavaveld en een geothermisch veldje op/bij vulkaan Leirhnjúkur ontstond. Uit die scheur komt nu nog steeds, na bijna 50 jaar, een warme rookpluim (foto 2). In vergelijking met 2007 leek het wel of er minder andere rookpluimen waren. Al weten we dat niet zeker omdat het in 2007 miezerde toen we er waren: die regendruppels zorgt natuurlijk voor meer zichtbare rook. Nu was het droog terwijl we over het zorgvuldig uitgestippelde wandelpad over het lavaveld stapten.
In 2007 wandelden we ook rond het kratermeer van de Krafla-uitbarsting van 1724. Dat deden we nu niet. Wat dat betreft hebben we ondertussen genoeg kratermeren gezien... en zo hadden we wel wat meer tijd voor andere bestemmingen.

Onze volgende bestemming was de machtige Dettifoss (foto 3) vanaf de westoever. Deze waterval is 44 meter hoog en zo'n 100 meter breed. De kracht van het neervallende water is nergens groter in Europa. Het is echt indrukwekkend! In 2007 bezochten we de oostoever. De westoever was toen enkel met 4x4 bereikbaar... nu liggen er nieuwe wegen. De oostoever is de mooiste kant om de Dettifoss te bekijken omdat je'm dan helemaal ziet. Je zie'm dan ook op de hoogte van de waterval zelf. Toch reden we niet nog eens naar die oostoever. Het voordeel van deze westoever is dat je hoger kan gaan staan dan de rivier. Hierdoor heb je meer overzicht (foto 3).

We wandelden ook nog een stukje terug stroomopwaarts langs de gletsjerrivier Jökulsá á Fjöllum. Daar zagen we de waterval Selfoss. Deze is veel mooier dan de Dettifoss omdat de Selfoss veel breder is, uit verschillende stukken bestaat, hoefijzervormig is en er niet op zo'n (relatief) korte afstaand zoveel water naar beneden moet. Daar waar Dettifoss aan de oostoever mooier is, is de Selfoss mooier aan de westkant, vonden we.

Na Detti- en Selfoss gingen we ook nog naar een uitkijkpunt om Rettarfoss te zien. Deze onbekende waterval ligt stroomafwaarts van de Detifoss. Ze kreeg ook een nieuwe weg erheen met een parkeerplaats. Ze zal dus snel meer bekendheid krijgen, vermoeden we. 
Het was opnieuw te winderig om buiten te picknicken, dus deden we dat in onze auto.

De volgende bestemming probeerden we in 2007 te bereiken. Er was toen namelijk onduidelijkheid over de weg: het was géén F-weg, maar 2x4-geschikt vonden wij'm niet. Wij draaiden toen onderweg terug. Ondertussen is ook naar deze bestemming een prachtige nieuwe asfaltweg aangelegd... alles voor toerisme...

Bij het uitstappen, begon het te druppelen. Dat hield ons niet tegen! We wilden deze 'echogrot', want daar waren we naar onderweg, écht zien ditmaal... Gelukkig vertrokken we toch want het geregen was van korte duur... en wat we te zien kregen, was nog veel meer dan verwacht! We zijn ondertussen al heel veel 'gewoon', maar deze wandeling was toch even weer iets dat ons versteld deed staan!

Vanuit de parkeerplaats wandelden we naar de rotsformaties Hljóðaklettar. Aan alle kanten waar je kon kijken, zag je grote lavarotsen met basaltkolommen in alle richtingen... en die kolommen zijn altijd iets prachtigs! dat de natuur dat gewoon zelf máákt!

De slanke basaltkolommen ontstaan als volgt: In vloeibare lava die afkoelt ontstaan krimpscheuren van buiten naar binnen. Meestal ontstaan ze in dikke lagen lava en geleidelijk vormen de barsten de kolommen. Smalle kolommen, met de typische vijf- of zeshoekige vorm, ontstaan door het krimpen in snel afkoelende lava. Wat nu te zien is als basaltkolommen is wat overgebleven is na langdurige verwering en erosie. Het grootste gedeelte van de lavaheuvel is dus al verdwenen...
... en als de lava traag afkoelt, ontstaan brede kolommen, die niet zo goed herkenbaar zijn als 'kolom'.

De 'echogrot' was slechts één van véle! Vlak voor de wandeling startte, zag je in de rivier, nog steeds de Jokulsa a Fjollum, 'kastili' of het kasteel liggen. We startten de rondwandeling aan de Tröllið, de trol. Één zijde van die trol bestond volledig uit de 'uiteinden' van de basaltkolommen. Hij leek wel betegeld. We probeerden er foto's van te maken, maar daarop leek het een grote platte wand. Terwijl het wel degelijk een grotachtige vorm had.

Het eerste gedeelte van de wandeling was het moeilijkst om te stappen: we moesten over vele basalten kolommen die schots en scheef tegen elkaar aanlagen, op verschillende hoogtes en we moesten tussen een diepe plas en dichte struikjes stappen. Nadien werd het pad, over het algemeen, goed begaanbaar.
De Kerk/Kirkjan (foto 4) lag een beetje achterin en was één van de zóvele bizarre basalten rotsformaties.... het blééf maar komen... alsof ze veel te veel basalten kolommen over hadden en die daar dan maar achtergelaten hadden.

De wandeling werd steeds steiler en steiler en uiteindelijk stonden we op vulkaan Rauðhólar (foto 5). Het waaide er serieus en het begon ook terug te druppelen... maar wat een mooie wandeling, zeg!

Toen we de vulkaan afdaalde, stopte het gedruppel alweer snel... 2x geluk gehad tijdens 1 wandeling, dus. De terugweg was heel eenvoudig, tussen berkenstruiken door. Gelukkig hadden we de wandeling niet andersom gedaan!

Via de kust bij Húsavík reden we richting onze volgende bestemming: Hitur. Althans dat probeerden we... In de buurt van aardwarmtecentrale Þeistareykir liggen verschillende geothermische velden, maar de weg naar Hitur was afgesloten. Naar enkele velden zouden we waarschijnlijk wel kunnen wandelen, maar het regende ontzettend hard op dat moment... en we reden dan maar gewoon terug.
Onderweg terug naar Guesthouse Eldá wilden we ook nog even langs de hoogstgelegen geiser van IJsland... maar dat geothermisch veldje was niet goed te zien, zonder bij een boer op het erf te gaan... ook pech dus... ach ja...

We reden nog langs de andere kant van het meer, Myvatn, terug dan de dag daarvoor. Aan die kant liggen echter geen 'bijzondere' zaken. Het is wel mooi en er zijn heel veel vogels te zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten